herinneringen
overzicht
Ben Mostert (1948)

Ben Mostert
Onze wegen kruisten elkaar in 1974. Ik werd toen in de Zoetermeerse gemeenteraad gekozen. Mijn eerste aandacht daar moest uitgaan naar de openbare financiŽn (mijn vak door opleiding en ervaring), maar net zo belangrijk werden sociale, culturele en overige politiek-bestuurlijke taken. En wat een geluk, dat ik Ben leerde kennen!

Hoe ben ik in de politiek verzeild geraakt? Bijna zeker weet ik, in mijn dertiende of veertiende jaar te zijn gaan beseffen, dat mensenlevens mede worden beÔnvloed en bepaald door macht, die anderen, wel of niet gelegitimeerd, uitoefenen. Tot dan nam ik - zoals iedereen, dacht ik - voor lief of lelijk, hoe de wereld in elkaar zit. Ongeveer zoals de schepping na de zevende dag moest het zijn. Er valt niets meer aan te verbeteren. Het is oorlog, het is vrede. Er zijn armen, er zijn rijken. Wij wonen in een stad, anderen in een dorp. Wij zijn Nederlanders en 100 kilometer verderop leven Belgen. En o ja, ons gezin is protestants en de buren zijn joods. Pas laat begon ik te begrijpen, dat aan die verschillen en tegenstellingen keuzen van mensen ten grondslag liggen, als het ware geheel buiten schepping of evolutie om. Mijn bewustwording op dit punt is vast en zeker ontstaan, toen mij na 1945 langzaam duidelijk werd, dat onze joodse buren waren vermoord. En ik begreep, hoe het was gekomen. Eerst vonden mensen het normaal, dat de overheid opschrijft, welke godsdienst je hebt. Daarna was het voor de helpers van die overheid een klein kunstje geworden om alle mensen met een IsraŽlitische godsdienst op te pakken, in treinwagons te laden, in concentratiekampen op te sluiten en zo efficiŽnt mogelijk te doden.

Het is 1950. Op grond van toegezegd zelfbeschikkingsrecht richt de voorzitter van de Zuid-Molukkenraad, Manuhutu, de RMS (Republik Maluku Selatan) op. Echter, in 1951 worden alle Ambonese militairen, in Nederlands IndiŽ in dienst van het KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger) met hun gezinnen per schip naar Nederland gebracht en in verspreide woonoorden gehuisvest. Onder hen ontstaat onvrede over die behandeling. Terugkeer naar de Zuid-Molukken lijkt onmogelijk, nu de Indonesische regering zich fel keert tegen het streven naar onafhankelijkheid en de Nederlandse regering daarvoor begrip toont. De Ambonezen weten zich in de steek gelaten. In massale manifestaties, in de grote zaal van de Haagse dierentuin, gelegen naast het Malieveld en in Houtrust (beide nu afgebroken) vragen zij aandacht voor hun zaak. Inmiddels is er ook een stichting, Door de Eeuwen Trouw, opgericht, die het Zuid-Molukse doel binnen bereik wil brengen en maandelijks een tijdschrift uitgeeft. Die stichting organiseert in Den Haag meetings om het Ambonese streven kracht mee te geven. Ik bezoek die bijeenkomsten en meng mij in politieke discussies over de Ambonese zaak, o.a. via de ingezonden brievenrubriek van de Nieuwe Haagse Courant. Met anderen verspreid ik het tijdschrift "Ambon moet Vrij". Wij lopen portiektrappen op; bellen aan, vragen aandacht en steun voor de Ambonezen en ondervinden, dat veel Hagenaars er sympathie voor hebben. Meer dan tien jaar later weten we, dat de Molukse vrijheidsstrijd voornamelijk diplomatiek en op papier is gevoerd. En dat die in beginsel rechtvaardige strijd helaas is verloren. Vele decennia zouden nog volgen, waarin een tweede generatie van Ambonezen de onvrede en teleurstelling van hun vaders omzet in vergeefse acties voor een vrije republiek Zuid-Molukken. Menselijke daden zijn soms voorspelbaar vergeefs, nagestreefde doelen menselijkerwijs gesproken onbereikbaar, indien ze voortvloeien uit weloverwogen persoonlijke keuzen voor wat rechtvaardig is, heb ik er respect voor. Zoals voor ŗl zulk handelen, wanneer het tevens getuigd van eerbied voor Mozes' wetten.

Zeventien jaar ben ik. En ik val van de ene verliefdheid in de andere. Onder de meisjes die ik in Den Haag ontmoet zijn er die na de Japanse bezetting - of in 1949, na de overdracht van de soevereiniteit aan IndonesiŽ - met hun ouders uit Nederlands-IndiŽ naar ons land waren gekomen. Van die in totaal bijna 300.000 repatrianten zijn er in mijn geboortestad - per traditie een thuis voor IndiŽ-gangers - velen gaan wonen. Hun ontvangst in het moederland was echter verre van hartelijk geweest en hun woonomstandigheden zijn in 1950 meestal nog slecht. ( Lees Willem Frederik Hermans' filmscenario "De woeste wandeling".) Ik kom over de vloer bij die gezinnen en voel mij thuis in de Indische cultuur die zij vasthouden. Herinneringen aan de Joodse vrijdagavondvieringen met onze buren raken in mijn beleving verweven met de gastvrije sfeer van Tempo Doeloe, die ik in het ouderlijk huis van mijn vriendinnen aantref.

In de zelfde tijd maak ik thuis, op de Hoefkade, kennis met Jack de Jonge, bevriend met mijn ouders. Hij is met een troepentransportschip teruggekeerd uit IndiŽ, waar hij als vrijwilliger in militaire dienst onder andere aan de politionele acties had deelgenomen. Met zijn Javaanse vrouw woont hij nu in Den Haag. Wat hij mij over zijn ervaringen en het leven van de mensen in "ons land over zee" vertelt, versterkt mijn affiniteit met de Indo-cultuur. Natuurlijk draagt zijn lieve vrouw daaraan bij.

1961. In de bus, van 's-Gravenzande naar Den Haag, zit ik naast Heinz Neudecker, een vroegere kennis van Cobi. Met vrouw en dochter woont hij op het Gravin Machteld plantsoen, niet ver van onze kleine flat op de Rijnvaartweg. Tijdens busritten naar en van Den Haag - waar wij beiden werken - ontstaat er een goede verstandhouding. Heinz, lid van de PvdA, zegt me, dat de plaatselijke afdeling een penningmeester nodig heeft. Ik aanvaard dat baantje, hoewel ik op dat moment een overtuigd PSP-stemmer ben. Dit nogal prozaÔsche vrijwilligerswerk vormt het begin van mijn politiek-bestuurlijke leven. In de PvdA, waarvan ik nu al bijna 50 jaar actief lid ben, ben ik wel altijd een buitenbeentje geweest. Niet "uit een rood nest" kom ik, noch uit een vakbondsmilieu. En, ook in de partij blijf ik permanent de gedachte bij mij dragen, dat overheden, hoe zij ook aan haar macht komen, in de eerste plaats de vrijheid van minderheden in de gemeenschap moeten beschermen. Dat geldt in mijn zienswijze evenzeer voor elementaire individuele vrijheden. In de praktische politiek moest ik mijzelf daardoor dikwijls een liberale sociaaldemocraat noemen. Op de toegangsdeuren van hokjes plakt iedereen immers graag een etiket.

Vrijwel direct nadat ik in de Zoetermeerse gemeenteraad aan het werk ga, kom ik Ben Mostert tegen. Met zijn vriendin woont hij in ťťn van de duizenden nieuwe flatwoningen. En is, na zijn opleiding bij de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Den Haag, op zoek naar atelierruimte. Onder meer de houtsculpturen waaraan hij op dat moment werkt, vragen een betere en grotere werkruimte. Nu is Zoetermeer van plattelandsgemeente aan het uitgroeien tot een nieuwe stad Volwaardige hoog- en laagbouwwijken verrijzen. Oude bebouwing, boerderijen en woonhuizen raken buiten gebruik. En meestal is het dan winstgevend om de vrijkomende grond een andere, commerciŽle bestemming te geven. Er komt bij, dat de autochtone bevolking niet veel gevoel heeft voor monumentenbehoud. Dat blijkt anders te liggen bij de jonge nieuwkomers uit de stedelijke agglomeraties rondom Zoetermeer. En zeker wordt het anders, wanneer na de verkiezingen in 1974 een ook verjongde gemeenteraad aantreedt. Er komt dan meer aandacht voor het bewaren van het dorpsgezicht Zoetermeer/Zegwaard. Nieuwe raadsleden vinden met mij, dat de oude toegangsweg Voorweg/Vlamingstraat - deels de oorspronkelijke route van Den Haag naar Utrecht langs de Voorwegwetering - bescherming verdient. Helaas zijn er al enkele inbreuken op gemaakt. Onder meer doordat de railverbinding het boezemwater van de Meerpolder niet haaks kruist. Gelukkig is het oude tracť verder redelijk in stand gebleven. Moeilijker blijkt het, de geesten warm te maken voor het vinden van nieuwe functies voor bebouwing waarvoor sloop dreigt.

Op dat moment stapt de jonge held Ben Mostert dit verhaal binnen. Hij is 16 jaar jonger dan ik, ondernemend, doortastend en geestdriftig in alles wat hij aanpakt. En dat is heel wat! Op zoek naar zijn broodnodige atelierruimte krijgt hij te namelijk te maken met wethouders en gemeenteambtenaren die tot dan toe de burgers minder beschouwen als mondige inwoners dan als zielen, een aanduiding die honderden jaren lang zonder kritiek was aanvaard. Maar ik wil hier eerlijk zijn: onder de ambtenaren waren al vernieuwers aanwezig. Anton Vos kreeg in die periode de afdeling Culturele Zaken onder zijn hoede en trachtte verbetering aan te brengen in het cultuurbeleid. Voor zover dat werd getolereerd door zijn bestuur! Want de zittende CDA- en VVD-wethouders waren nog van de oude stempel. Krijn Janse, een boer met veel landbouwgrond, beheerde de portefeuilles FinanciŽn en Cultuur en liep begaande paden strikt volgens conservatieve beginselen. Gedurende vele jaren had ik er een zware dobber aan om Krijn op de terreinen FinanciŽn en Cultuur tot een wat meer progressieve aanpak te bewegen. Op cultureel terrein werd een adviesraad actief waarin naast raadsleden ook burgers zitting kregen. En van daaruit, je zou kunnen zeggen "in zijn vermomming als burger" treedt Ben indrukwekkend voor het voetlicht. Een creatiever pleitbezorger voor kunstenaars en kunst in de gemeenschap kan men zich niet wensen. Hij neemt geen blad voor de mond, maakt tegenstellingen en conflicten zichtbaar, zet wat hij wil helder uiteen en neemt nooit genoegen met tussenoplossingen en halve antwoorden.

In krijgskundige termen vertaald: er ontstaan ruim een jaar durende man-tegen-man gevechten over de herbestemming van wat vermoedelijk het oudste boerderijtje aan de Voorweg is. Het gaat om een vervallen woning met aan de voorzijde een stalgedeelte. Als gevolg van een verstandig beleid, om ten behoeve van de nieuwe stadsuitleg de daarvoor benodigde grond en opstallen tijdig ter beschikking te krijgen, was er op het gemeentehuis een lijst van panden en pandjes gaan circuleren, die na een grondige opknapbeurt voor diverse nieuwe bestemmingen zouden kunnen worden gebruikt. Op die lijst staat ook het boerderijtje op de Voorweg. Denk niet, dat de lijst openbaar was. Slechts enkele slimme topambtenaren kenden haar. En zij hadden ervoor gezorgd, dat het College van B. en W., noch gemeenteraadsleden over de lijst konden beschikken. Terecht gingen ze ervan uit, dat het de kat op het spek binden zou zijn, indien het overzicht zijn geheime karakter ontijdig zou prijsgeven. Immers, iedereen - politieke ambtsdragers zeker niet uitgezonderd - kent wel iemand, die tegen een lage prijs een te restaureren pand in een mooie landelijke omgeving wil verwerven. Hoewel Ben Mostert er meestal in slaagde ambtelijke geheimen te ontraadselen, in dit geval wist hij er net zo min van als de wethouders die "erover gingen". Nee, Ben doorkruiste op zijn fiets het gemeentelijk grondgebied tot in alle uithoeken en liet zijn geoefende kunstenaarsoog ten slotte vallen op het boerderijtje aan de Voorweg, zijns inziens uitstekend geschikt als toekomstige atelierwoning. Daar liet hij het niet bij. Vervolgens wist hij van Anton Vos ook nog de geheime sleutel van het ultrageheime pand los te krijgen! "Ben, ga maar eens kijken, of je er een geschikte atelierruimte in ziet." Want Anton, die na zijn ambtelijk Zoetermeers avontuur later in Voorburg galeriehouder zou worden, ruilt al heel lang met stiekem plezier de benepen dorpse gemeentehandel in voor een ruimer cultureel klimaat. Maar collega's van Anton krijgen diens ongebruikelijk handelen in de gaten. En terwijl Ben "zijn" toekomstige atelier met voldoening aan het bezichtigen is, geraakt het Zoetermeerse stadhuis in rep en roer. Uiteraard gaat er enige tijd mee heen voor het onheilsbericht de burgemeester en zijn wethouders bereikt. Intussen is de misstap van "collega Vos" in de kamer van wethouder Janse uitgegroeid tot "volstrekt onaanvaardbaar gedrag, dat correctie eist". Voorts gaat van Krijn het bevel uit, dat de sleutel van de vervallen hoeve terstond van Ben moet worden afgepakt. Alleen de wethouder zelf denkt, dat dit noodzakelijk en mogelijk is en het ambtelijk apparaat laat hem in die waan.

Het gevecht van Ben met de gemeentelijke overheid over het toekomstige atelier zou van 1974 tot eind 1975 duren. De plaatselijke pers berichtte bijna wekelijks over de voortgang van de strijd. Wanneer Ben aan het eind de verliezer zou zijn geworden, zou ik de herinnering eraan hier niet hebben opgeschreven. Want heldendaden van overheden worden naar mijn idee al veel te veel in het licht gesteld, zowel door rechtse als linkse politici. Daar staat maar weinig individueel succes tegenover in waardevolle literatuur. Mislukte- en antihelden voeren in de letterkunde de boventoon. Met plezier meld ik daarom, dat Ben aan het slot van deze felrealistische geschiedenis eigenaar wordt van zijn pand en met hart en hand aan het werk gaat om er een monumentaal woonhuis met atelier van te maken. Tegelijkertijd is hij in dienst bij de provincie als vormgever. Tegenwoordig ziet hij terug op een arbeidzaam leven, waarin goede relaties en vrije kunst een betekenisvolle plaats vonden.

In de zomer ben ik soms in de buurt van zijn woning en loop zomaar over het bruggetje over de Voorwegwetering zijn erf op. In zijn tuin onder een oude moerbeiboom vind ik dan Ben en we wisselen kleine nieuwtjes uit, een flesje bier naast onze stoel op het gras.

Eenmaal mocht ik een tentoonstelling met werk van Ben openen. Zijn werk - met gebruik van het materiaal polyesterfilm - werd geŽxposeerd op de Denneweg in Den Haag. In mijn openingstoespraak zei ik onder meer het volgende.

"Ben belichaamt de eerste persoon enkelvoud van het werkwoord zijn. Hij veroverde een romantische ruÔne in Zoetermeer op taaie ambtenaren en een hardnekkige wethouder. Daarna, ongemerkt voor de verspieders van het gemeentelijk bouwtoezicht, is hij binnen de eeuwenoude muren hard aan het werk geweest. Thans weet iedere Zoetermeerder, dat je Ben niets meer kunt wijsmaken over het zelf bouwen van een monumentale woning. Ook buiten dat werkterrein kun je Ben niet betrappen op gebrek aan ervaring. Ben weet veel over vriendschappen, over zijn kat, over zijn buren, over moestuinen, over leden van de culturele raad, over bruggetjes over de Voorwegwetering, over provinciale- en gemeenteambtenaren en ja, waarover niet.

Een overeenkomst in aard tussen Ben Mostert en mij is, dat wij beiden veronderstellen, erg van het leven te genieten. Het gaat om een primitieve aandoening, die hem en mij redelijk goed op de been houdt.

Ben vertegenwoordigt een wonderlijke combinatie van voorspelbaarheid en verrassing. Een paar jaar bezig met de bouw van zijn huis en dan in vrij korte tijd met een serie prenten voor de dag komen. Hij deed dit eerder. Maar, zoals het hoort, het werk dat hier hangt is opnieuw anders van de zelfde Ben. In de uitnodiging voor deze tentoonstelling staat, dat zijn werk met digitaaltekens de geautomatiseerde samenleving tot object heeft. Volgens mij heeft het werk net zo min te maken met computers als de Denneweg met de Utrechtse Baan.

Ben Mostert maakt spannende beelden met polyesterfilm. In zijn composities bouwt hij uit honderden strookjes zijn rechthoeken op. Enkele smalle en buigzame stroken (draden?, haren?) doorbreken die ritmisch samengestelde vlakken. Je kunt je voorstellen, dat de prenten een schering en inslag te zien geven op het moment, dat ze nog niet zijn verweven. Maar deze speculatie werpt meer licht op het ongerijmd algemeen menselijk verlangen, dat het ene altijd bij het andere hoort, of de ťťn altijd bij de ander. Ik geloof dat echter niet. Ikzelf zou het liefst aannemen, dat het bij de draden om losse objecten gaat, die juist nžet kunnen worden verweven; of anders gezegd, geen wezenlijke verwantschap voelen met de omgeving, waarin zij figureren en dus individuele subjecten zijn. Van enige vijandschap met het andere of de anderen is overigens geen sprake. Hoe zou dit ook kunnen in dit losse, vrije verband?

Belangrijk is, dat de draden wel eenzaam maar niet alleen zijn. Ben schiep ze in kleine bundels. Een enkele mag zich altijd kleurig onderscheiden van zijn soortgenoten. Een zeer afwijkend gedrag vertonen deze enkelingen niet. Zij voegen zich. In de verste verten is er echter geen onderwerping. Want Ben maakte ze."

Piet Boekestijn, september 2009
Polyesterfilm Ben Mostert
Polyesterfilm Ben Mostert