herinneringen
overzicht
Bob Bonies (1937)

Bob Bonies
Ieder die tussen 1920 en 1940 opgroeide, werd in zijn of haar vroege jeugd vanzelfsprekend, meestal onbewust, geconfronteerd met de doorwerking in het alledaagse leven van de invloeden van De Stijlgroep. De rechte lijn en de primaire kleuren, in tijdschriftadvertenties, op affiches, in de architectuur van het gebouwde in nieuwe openbare ruimten, geen van alle leverden zij overheersende indrukken op, maar zorgden er wel voor, dat een verlangen in stand bleef naar een nieuwe voortzetting van wat in de jaren twintig van de vorige eeuw in ons land door Van Doesburg en anderen tot uitdrukking werd gebracht. In die revolutionaire traditie is Bob Nieuwenhuis - Bob Bonies is de naam die hij als pseudoniem koos – getreden.

Bob leerde ik kennen in zijn adviseurschap voor de gemeente Zoetermeer. Hij gaf in die hoedanigheid zijn oordeel over het werk van andere kunstenaars, een weloverwogen oordeel. Het deed altijd recht aan het werk van zijn kunstbroeders en –zusters. Helder en bescheiden was zijn opinie en nooit over het hoofd te zien. In zijn gezelschap ervaar je bij hem oplettendheid en betrokkenheid ten aanzien van het werk van die anderen.

In Bonies’ eigen werk is rust levend aanwezig. In de kalme overweging van kleurvlakken. Zijn werk laat vrij, nodigt uit tot dwalen, of, beter gezegd, tot een wandelend kijken. Ik ervaar het als een in menselijke maat geplaatst evenwicht. De vlakken liggen tegen elkaar aan of over elkaar heen, conflictloos. Lijnen die bijna altijd tot scheidslijnen, grenzen en kaders verworden en die hoe dan ook beperkingen opleggen, zie ik niet. Zijn werk ervaar ik letterlijk als bevrijdend, als wezenlijk en helder. Het trekt je aan en houdt je bezig, wanneer je er langere tijd naar kunt kijken. Wanneer je in je woning, kantoor, werkplaats in de gelegenheid bent om gedurende langere tijd een zelfde werk van Bonies te zien, neemt de geboeidheid, de gehechtheid eraan, toe.

In 1997 sprak ik een openingswoord bij een expositie in Zoetermeer van werken van Bob Bonies. Omdat ik daarvoor toen als wethouder was uitgenodigd, filosofeerde ik ook een beetje over de relatie tussen politiek en kunst. Bijvoorbeeld over de vraag, of er socialistische opvattingen relevant zijn over de functie en betekenis van beeldende kunst in de samenleving. Als mijn opvatting hierover gaf ik, dat er noch communistische, noch liberale kunst bestaat.

Een kort citaat uit wat ik bij die gelegenheid zei..

“ De overheid behoort zich tot kunstenaars en kunst op een zelfde wijze te verhouden als zij dat doet ten opzichte van andere burgers en hun handelen. De eerste taak van de overheden is, ervoor te zorgen, dat waarborgen worden geschapen voor materiële en geestelijke ontplooiďng van mensen. De overheid moet met de kunst niets doen, extreem geformuleerd, maar de kunst moet iets met de overheid doen. In een Zoetermeerse krant las ik over mezelf, dat ik kunstminnend zou zijn. Dat kan een volstrekt verkeerde indruk wekken. Als het om minnen, liefhebben gaat, moet ik bekennen dat de kunst bij mij niet op de eerste plaats komt. Vele keren meer houd ik van mensen dan van kunst. Daarmee loop ik natuurlijk niet te koop. Het kan mensen op de gekste gedachten brengen, maar het is wčl zo. Mensen zijn immers bijna altijd de moeite waard.”

Piet Boekestijn, maart 2013