herinneringen
overzicht
Cor Stutvoet (1906 - 1990)

Aan Cor heb ik de eerste publicatie van enkele van mijn gedichten te danken. Op de afgesproken avond in de Posthoorn - "een uurtje voordat de anderen er zijn" had Cor gezegd - schuif ik hem met schroom het stapeltje aan elkaar geniete velletjes met mijn eerste gedichten toe. Voor het lezen neemt hij de tijd. Die kalme manier van doen heb ik bij hem tot nu toe niet gezien.

Meestal komt hij de bodega als een stormwind luidruchtig binnen. Door zijn doofheid, die hij met een opvallend gehoorapparaat en stemverheffing compenseert, hoort ieder van de aanwezigen zijn welgemeende begroetingen. Cor spreekt niet alleen luid, maar zijn stem neigt ook naar een niet onaangenaam soort kraken, waarin een kenner misschien ver weg een Friese tongval vindt. Uit zijn hoofd kan hij verzen van Nederlandse dichters helder declameren. En je kunt horen, dat het uit zijn hart komt. Met eenzelfde geestdrift draagt hij zijn eigen poëzie voor. Het gaat dan om die gedichten, waarvoor hij nog niet de definitieve vorm vond.

Wanneer Cor zijn eigen poëzie voordraagt, lijkt het, of hij uitsluitend wil weten hoe die in de oren van anderen klinkt. Want het oordeel van anderen erover zoekt hij zeker niet. Nochtans, evenals velen uit de Posthoorn, heeft hij zijn werk ooit aan Willem Hussem voorgelegd. Dat moest, net als voor die anderen, natuurlijk onbevredigend verlopen. De uiterste soberheid die Hussem in zijn schilderwerk en dichtkunst nastreefde, leidde er immers toe, dat elk aan hem voorgelegd volslank vers, door schrapping van zijns inziens overbodige woorden, tot een mager scharminkel werd. Hoewel de gestrengheid van het oordeel van Hussem bij diens "slachtoffers" aanhoudend tot irritatie leidde, bleef zijn woord gezaghebbend.

Cor en ieder van de andere oudere Posthoornvrienden zijn typische "eigen meesters en niemands knecht". In mijn persoonlijk reilen en zeilen tonen ze vaderlijke interesse. Met Rudy, Bert, Joop, Ben en Evert verschil ik weinig in leeftijd. Gerrit, Cor en Jozef hebben echter de leeftijd van mijn vader. Heb ik van de laatste zorgzaamheid, arbeidzaamheid, oppassendheid en trouw ervaren en "meegekregen", de dichterlijke vaders zijn zonder uitzondering avontuurlijker ingesteld. Bijvoorbeeld: kunstzin en creativiteit en het daartoe vereiste veroveren van vrije leefruimte, waarderen zij hoger dan het verwerven van bestaanszekerheid. Wat ik bij mijn eigen vader zag, een samengaan van zachtheid en doortastendheid, komt wel geheel overeen met wat ik bij mijn anders geaarde vaders terug wil vinden en vind. Geen vormen van agressie. En, geheel ondenkbaar is het, dat ik van mijn eigen of andere vaders een cynisch advies zou krijgen, zoals dat wat Slauerhoff aan zijn "zoon"meegaf:

Denk niet Gods liefste engel is een vrouw: Was zij Zijn liefste, Hij zou haar niet zenden. Zweer haar in dronken nacht geen eeuwge trouw, Gij zoudt uw eed den andren morgen schenden. Houd haar niet langer dan zij u behaagt; Dus tot geen bond geboeid, geen sleur besloten. Grijp het geluk, en wordt gij weggevaagd, Dan zij uw laatste zucht: "Genoeg genoten".

De auteurs van de vele honderden jongensboeken die ik in kindertijd en jeugd - dus in de jaren dertig en veertig - las, hebben mij ook niet weinig beïnvloed. Dikwijls waren het avonturenverhalen over stads- en dorpsjongens, gesitueerd in de tachtigjarige oorlog, of in de tijd van de Franse overheersing. En, wanneer een boek in Zuid-Afrika speelde, waren vanzelfsprekend de Engelsen verderfelijke vijanden. De impact die de laatstbedoelde boeken op mij hadden - van Penning las ik echt alles en van kaft tot kaft! - werd nog versterkt doordat ik in de Haagse Transvaalwijk woonde, waar ik in de namen van de straten het decor herkende van de Boerenoorlogen. Altijd kwamen die kinder- en jeugdliteratuur en aansluitend de uit de leesbibliotheek in de buurt geleende westernromans, die we cowboyboeken noemden, tegemoet aan de moraal, waarin het Goede wordt beloond en het Kwaad wordt bestraft. Ik denk dat ik die op wanhopige hoop gebaseerde moraal omarmde, nooit verloor en nog steeds bij me draag. Ja, net zoals ieder mens die deze illusie uit eenvoudig lijfsbehoud koestert. Op hooguit een enkele onmenselijke uitzondering na. Trouwens, behoort de overdracht van die moraal niet ook tot de essentie van goed vaderschap?

Een terzijde dringt zich hier op. In zijn eerste boek beschrijft Mozes het kennen van het onderscheid tussen Goed en Kwaad als oorzaak van de deportatie uit het paradijs. Maar de boom met de vruchten van die kennis is en blijft geworteld in dat paradijs! Dat paradijs is immers niets minder dan de gehele aarde waarop we leven. Zonder onze onnatuurlijke ethiek worden we uitgewezen naar die andere uithoek van ons paradijs, het woeste land, waar de barbarij van de evolutie heerst. Dit moest ik nog even kwijt. Met veel van onze moraal is mijns inziens niks mis. Je moet er niet aan denken, hoe we nu zouden leven, wanneer de goede, joodse Eva de vrucht van de kennisboom niet zou hebben geplukt!

De schrijvers van de fictie, die ik van ongeveer 1954 af in het Engels las, waren mijn eerste meer serieuze geestelijke vaders. Vooral Steinbeck, Hemingway en Salinger. Hun in pockets uitgegeven romans en novellen hadden na de bevrijding van ons land voor mij zegenrijk de Nederlandse markt bereikt. Maar in concurrentie met Gerrit, Cor en Jozef, die als vaders lijfelijk aanwezig waren, wonnen de laatsten glansrijk door hun bijna dagelijkse invloed. Hun leeftijdsverschil met mij had minder betekenis dan de gemeenschappelijkheid in onze romantische instelling tegenover vrouwen. Die maakte, zeker wat mijzelf aangaat, onze relatie hecht. Ik schreef al, dat bij geen van ons vieren in spreken en schrijven agressie of cynisme waren te horen of te lezen. Wel voluit idealisering, weemoed, verlangen. Die sentimenten doortrokken stevig onze thema's. Direct moet ik erbij zeggen, dat Jozef Eyckmans' werk - door elk van ons bewonderd - het onze al was ontstegen (!) door een zeer rationele bestaansfilosofie. En dat in een welhaast muzikale vorm! Maar ook hij - hoewel realistischer dan wij - schatte vrouwen hoog in. Een voorbeeld maakt dat duidelijk.

Eén van de vaste bezoekers van de Posthoorn had verscheidene protestants-christelijke streekromans op zijn naam staan. Hij was er niet rijk van geworden, woonde en werkte in de Korte Houtstraat op twee kleine bovenkamers. Alleen. Want vele jaren daarvoor was hij gescheiden en tegelijkertijd verhuisd van het platteland naar Den Haag. Hoe hij praktisch omging met zijn natuurlijke behoefte aan een relatie met een vrouw wisten wij niet. Op een avond echter, na enkele glaasjes jenever, onthulde hij een recente ervaring. Een meisje, dat wij allen kenden (en die je nu een groupie zou noemen) had twee nachten bij en niet met hem geslapen. Zij had op dat moment geen onderdak en hij, medelijdend, maar ook vol begeerte, had haar dat geboden en haar enige dagen verzorgd. Op de derde dag, nadat ze haar in de ochtend op bed gebrachte ontbijt had gegeten, was ze zonder afscheid te nemen ongezien vertrokken. Een paar honderd gulden, al het spaargeld dat hij van zijn armzalig inkomen apart had kunnen leggen, had ze meegenomen. In de Posthoorn hoorden we dit relaas zwijgend aan en toonden medeleven. Geen van ons, ook hijzelf niet, plaatsten er kritische opmerkingen bij, niet bij zijn gedrag, noch bij dat van haar. In veel mannengezelschappen zouden dergelijke ervaringen aanleiding hebben gegeven tot quasi stoere verwensingen over sletterig vrouwengedrag. Geheel tegengesteld daaraan begonnen wij en zelfs onze ongelukkige vriend een uitweiding over de aantrekkelijke fysieke en geestelijke eigenschappen van dat "meisje dat bij de dag leefde". En over de gedroomde kwaliteiten van andere vrouwen die wij kenden of hadden gekend! Elke vrouw beminden we. Simpel vanwege haar vrouw-zijn. De Amerikaanse auteur Steinbeck laat in vrijwel al zijn romans en verhalen een eendere adoratie zien. Het slot van zijn The Grapes of Wrath geeft daarvan de ultieme illustratie.

Wanneer ik nu, op grote afstand in de tijd, in hun gepubliceerd dichtwerk het beeld terug lees, dat Cor en Gerrit van vrouwen hebben, begrijp ik goed, waardoor ik mij in hun gezelschap thuis voelde. In onze conversatie rustte op het onderwerp sexualiteit een impliciet taboe. De vrouw werd vereerd, zowel als maagd, moeder en minnares en in die volgorde. Grofheid en geweld schuwden we. In elk van onze harten leefde een Don Quichot. Uit ons werk bleek zijn bestaan. Node ontbrak echter de praktische inbreng van een Sancho Panca. In ieder geval lieten we die knecht niet aan het woord komen. Maar we misten hem ook niet. En wisten niet dat we hem misten.

In 1955 verschijnt van Cor in de poëzie-reeks De Windroos, onder redactie van Ad den Besten, de bundel GEDICHTEN. Meer dan de helft ervan draagt hij op aan, of beter gezegd, richt hij aan Elisabeth Gautschy. Uit de verzen blijkt, dat zij een overleden geliefde is. De gedichten voor haar getuigen van gemis, weemoed, spijt en verlangen. Ook tonen ze schuldgevoel, berouw en boetedoening. De afwezige blijft aanwezig en aanbeden. Eerst in het laatste van de 19 verzen klinkt er aanvaarding door en is er het voornemen, het eigen leven hardhandig te hervatten. De taal van Cor laat geen relativering toe. Zijn gevoelens zijn absoluut. Vanuit nederigheid voor de ervaren liefde is er aanbidding. Doordat hij echter de liefde als aards - op een bezwerende manier - beschrijft, is zijn werk niet sentimenteel. Na verscheidene malen lezen zijn inhoud en vorm mij warm en vertrouwd geworden.

Cor legt zijn hand op het stapeltje gedichten van mij. "Jongen, ik stuur ze op, naar Ad den Besten." Vervolgens gaat hij in één zucht door over zijn eigen verzen, die waarmee hij "nog rondloopt". En hij declameert met eerlijke vervoering strofen daaruit. Geïmponeerd door de zeggingskracht ervan en bang ervoor, dat zijn gedicht mij niet zal bijblijven, onderbreek ik zijn begeesterde relaas en vraag hem het voor mij op te schrijven. Hij doet dat:

gedicht Cor Stutvoet Reisbrief 3 versie 1 deel 1

gedicht Cor Stutvoet Reisbrief 3 versie 1 deel 2

In 1981, 25 jaar later en ter gelegenheid van Cor's 75e verjaardag, vind ik het gedicht (verbeterd!, de eindversie ervan?) opgenomen in de bundel "Bij nader inzien". Als derde deel uit de poëziereeks In de Fazantenhof, uitgegeven door De Oude Degel te Eemnes naar typografisch ontwerp van Rinus de Vringer.

gedicht Cor Stutvoet Reisbrief 3 versie 2

Cor Stutvoet is onder mijn oude vrienden ongetwijfeld de meest initiatiefrijke en in de sociale omgang de actiefste. Wat zich uiteraard ook laat zien in de vele fotoportretten die hij maakte van Nederlandse en Belgische literatoren In de tijd voordat ik hem leer kennen, verkeert hij veel in het gezelschap van Haagse schrijvers. Bert Bakker en Paul Rodenko spreekt hij geregeld, wanneer ze in de avond en nacht in de Posthoorn en in het op het Plein gelegen Slawa te vinden zijn.

Mijn eerste kennismaking met Cor vindt plaats, wanneer Gerrit Kolkman en ik 's-avonds laat de naast de Bijenkorf gelegen Scala-bodega binnengaan en Gerrit al direct op hem toeloopt en mij aan hem voorstelt. We deden het café aan bij wijze van onderbreking van het ritje met de fiets van het Voorhout naar de Hoefkade, waar ik, en naar de Maartensdijklaan, waar Gerrit woont. Het Scalatheater is dan al afgebroken en aan het interieur van de bodega merk ik, dat ook haar einde in zicht komt. Caféruimte, overige inrichting, meubilair - waaronder een imposante bar - betimmering en stoffering, het geheel ervan, ademen nog de sfeer van de jaren twintig en dertig. De staat van onderhoud - vaalheid, slijtage - laten echter zien en voelen, dat het Haagse revue- en variétéleven voorgoed weg zijn uit de Wagenstraat. Zelfs de populaire muziek, die de in de jaren vijftig in het café geplaatste felgekleurde jukebox ten gehore brengt, overstemt mijn gevoelens niet van "Vorbei, ja, alles Vorbei".

De stem van Cor, zijn lichaamstaal en persoonlijkheid vallen in mijn beleving op dat moment samen met de nostalgische sfeer van die voorbije tijd en die vereenzelviging zou altijd zo blijven. De licht archaïsche, statige stijl van schrijven en spreken van Cor veroorzaakte geen breuk met de Nederlandse poëzietraditie, wat de gedichten van de experimentelen wel deden. Over met wie ik mij, als het om poëzie uit de jaren vijftig gaat, meest verwant voel, ben ik ambivalent. Ik denk, dat ik altijd meer zoek naar de inhoud dan dat de vorm mij imponeert. Hoezeer ik ook besef, dat de onderscheiding tussen vorm en inhoud onzinnig is.

In de jaren na ons treffen in de Scala-bodega maak ik in het gezelschap van Cor vele tochten door het Haagse centrum. Met maar weinig overdrijving kan ik zeggen, dat veel van de vrienden en bekenden van Cor in een kring van hooguit een kilmeter rond de Posthoorn blijken te wonen. En overal waar hij aanbelt, zijn we hartelijk welkom. Na een uurtje conversatie trekken we dan weer verder naar het volgende adres. Wanneer het vervolgens te laat is geworden om nog onverwacht op huisbezoek te gaan, kent Cor gelukkig enkele nachtgelegenheden, waar het tot 4 uur in de ochtend goed verblijven is. De laatste aanlegsteiger wordt bij hem traditiegetrouw het vrachtrijdercafé, gelegen op de Grote Markt, dat op dat tijdstip juist is opengegaan. Een onovertroffen portret van Cor, 's-avonds op pad in Den Haag, publiceerde Peter Berger ooit in een column in Het Vaderland:
"Want hij was bezeten van poëzie in die tijd dat men nog bezeten van poëzie kon zijn. Toen men tot diep in de nacht bij de Drie Hoekjes kon zitten, pratend over poëzie, en men in een vrachrijderscafé de ochtend afwachtte, dronken van jenever en vervoering, en hees van slaap, en nog doorsprak over gedichten als de blauwe vrachtrijders binnenkwamen, en hun koude ziel met een kop koffie ontdooiden, en de zon geel en vol verwachting opkwam boven de huizen van een lege, ongerepte stad.. En Cor was van die woordgekken de gekste. Hij fladderde binnen, en met zijn schorre nachtvogelstem zei hij de regels van een gedicht dat hem geroerd had."

De bundel "Bij nader inzien" van Cor werd feestelijk gepresenteerd in de Kunstkring, ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag. Cobi en ik waren erbij en feliciteerden hem met beide gebeurtenissen. Cor was een lieve, altijd bezige man, die helaas maar weinig gedichten naliet. Opvallend is, dat hij meer bekend is gebleven door zijn fotografie dan door zijn poëzie.

Een paar maanden nadat Cor mijn gedichten aan Ad den Besten had gegeven, verschenen er drie van in de bloemlezing Dichters van Morgen.

Piet Boekestijn augustus 2009