herinneringen
overzicht
Gerrit Kolkman (1907 - 1966)

Gerrit Kolkman
Altijd ben en blijf ik op zoek naar beschikbare, fysiek aanwezige vaders. Nooit heb ik echt kunnen aanvaarden, dat God onze vader is, ondanks het feit, dat mij dat vele malen op vele plaatsen werd voorgehouden. Het blijft voor mij onbegrijpelijk, dat aan een godsbeeld al die menselijke eigenschappen kunnen worden toegedicht, die ik vanuit mijn kindsheid van mijn eigen vader heb ondervonden: aandacht, veiligheid, voorbeeldigheid, trouw, bemoediging, aanmoediging. Hoe zou een niet lichamelijke God zulk geluk ooit kunnen geven?

Bij mijn geboorte was mijn vader 22 jaar, mijn moeder enkele jaren ouder. Van alle hiervoor genoemde eigenschappen van mijn vader, profiteerden ook mijn zuster en broertje. De laatste helaas kort. In zijn derde levensjaar vond mijn moeder hem dood in zijn bedje.

Tussen mijn zesde en dertiende jaar genoot ik van vriendschappen op de gereformeerde lagere school in de Schalkburgerstraat in Den Haag. Het meest speelde ik met de jongens die bij mij in de straat woonden, in de buurt van onze portiekwoning, Hoefkade 1460. Met Adri en Cor Wagner, Ger Winterwerp, Arie Reedijk en Harry Wijling. De gehele Transvaalwijk, inclusief het Zuiderpark en de noordelijker gelegen warenmarkt aan de Herman Costerstraat, waren domein van ons spel. Overigens, wanneer ik terugdenk en die vriendschapsbeelden van toen voor de geest haal, tref ik in mijn herinnering ook altijd mijn vader aan. Als vriend! Wie van ons loopt de honderd meter het snelst? Wie schaatst het best? Wie schaakt en damt het best? Wie vangt de grootste vis? Wie kan op zijn handen staan? Wie kan fietsen, achterstevoren op het stuur van zijn fiets gezeten? Wie kan het mooist tekenen? Mijn vader, timmerman, wist alles over hout, over bomen, hoe je houtsoorten kunt herkennen. In augustus en september plukten we bramen en zochten kastanjes, wilde en tamme, en beukennootjes. Want, als het even kon, gingen we wandelen in het Haagse Bos en het Zuiderpark. Bij langere afstanden zat ik bij hem achterop de fiets, bijvoorbeeld zaterdags naar de Delftse groenteveiling bij Den Hoorn, om in het seizoen komkommers en tomaten te halen. We kregen ze van mijn grootvader, die met een eigen schuit die groenten vervoerde. De uitdrukking "Wie appelen vaart, die appelen eet." - later in vele situaties door mij toepasselijk gebruikt - leerde ik van mijn vader en grootvader. De zegswijze laat ook de realiteitszin en tolerantie zien van waaruit beiden leefden.

Na mijn militaire dienst, die duurde van november 1952 tot de zomer van 1954, ging ik weer in mijn ouderlijk huis wonen. Geleidelijk evenwel verdween daar tussen mijn ouders en mij het gevoel van harmonie. In het orthodox-christelijke milieu had ik mij van jongs af thuis gevoeld. Nu, naarmate ik mij persoonlijker ontplooide, groeide er afstand. Wederzijds ontstond onbegrip voor zienswijzen en denkbeelden van "de ander". Ik schrijf "de ander", want niet alleen binnen de cultuur van ons gezin onderscheidde ik mij door verworven eigen opvattingen. In mijn vriendschappen en werkkring gebeurde het zelfde. Thuis bleek echter geen gesprek mogelijk over veel van wat mij bezig hield, hoewel de orthodoxie van mijn ouders niet streng en zeker niet extreem was. In kontakten buiten het gezin genoot ik van de bijna absolute vrijheid die ik nam om spontaan opinies te kunnen uiten. Nog daargelaten, dat ik mij goed voelde bij de verscheidenheid in de persoonlijkheden van mensen die ik dagelijks ontmoette. Geen van hen leek op een ander. Ik had de schoonheid van de oneindige differentiatie ontdekt! Vele, vele jaren later, vanuit de Chinese culturele revolutie, kon men de politieke leuze "Laat vele bloemen bloeien!" horen. Van dat moment af ben ik in mijn leven en zeker in mijn politiek-bestuurlijke leven bij het nemen van beslissingen dat adagium als een uitgangspunt gaan nemen. Voor ieder mens moet er beweging mogelijk zijn, ontwikkeling in de ruimste betekenis van het woord.

Met Gerrit Kolkman, ongeveer even oud als mijn vader, maakte ik kennis via een collega bij Binnenlandse Zaken. Toen ik haar had verteld, dat ik gedichten schreef, zei ze: "Mijn vader ook. Je moet eens met hem praten." Een week later fietste ik via het Zuiderpark in tien minuten van huis naar de Maartensdijklaan, waar hij met zijn vrouw op een derde etage woonde. Na dat eerste bezoek zouden er vele volgen. Bijna drie jaar lang trof ik Gerrit wekelijks, hetzij thuis, of in de Posthoorn. De vele avonden met hem, pratend over literatuur, doorgebracht in zijn kleine werkkamer, met uitzicht op de achterzijde van een katholieke kerk, werden rustpunten in mijn leven. In feite markeren ze voor mij een periode van overgang, verlating van het ouderlijk milieu, op weg naar zelfstandigheid. Weinig avonden bracht ik nog thuis door. Ik besteedde ze aan het bezoeken van een avondschool, waar ik een rijksleergang voor de bestuursdienst volgde, dan wel (maar vooral) aan de omgang met vriendinnen en vrienden, wel of niet aan Posthoorn en Kunstkring gebonden. In dat achteraf gezien jachtig leven vulden lege momenten zich met lezen en schrijven.

Voordat ik Gerrit leerde kennen waren hoogtepunten bij het lezen: Misdaad en Straf (toen: Schuld en Boete) en De Gebroeders Karamazow. Naast deze romans van Dostojewski liet Cervantes' epos Don Quichot een onvergetelijke indruk na. Dit Spaanse meesterwerk confronteert de romantische houding met de materiŽle realiteit, waarbij Don Quichot zich weliswaar keer op keer moet neerleggen, maar, haast hangend aan zijn arme paard, toch steeds weer overeind blijft. De Gebroeders Karamazow blijft mij altijd bij als de grootse illustratie van de waarde van ieder individu, ongeacht de uitkomst van diens persoonlijke ontwikkeling. Misschien beziet God ons menselijk gedrag. Maar Dostojewski schreef het ook op.

Gerrit was de eerste man die ik kende, die ťťn werkdag in de week voor "zijn literatuur" vrijhield. Daardoor moet zijn gezinsinkomen gering zijn geweest. Ik weet niet, of zijn vrouw en dochters daarover ooit tegen hem hebben gemopperd. De jongste dochter en haar moeder kende ik en ik weet, dat ze hem als "een bijzondere man" waardeerden en respecteerden. In veel van zijn gedichten lees ik trouw aan en verbondenheid met zijn gezin. Echter, voor weinigen zijn rust en tevredenheid in het bestaan hemelse geschenken en zeker voor dichters niet. Begeerte zal in ieders leven nieuwe objecten van aanbidding blijven creŽren die gemoedsrust verstoren. De "oude Adam" gaat nooit dood. Niet voor niets waarschuwt Mozes in ťťn van zijn wetten tegen het toegeven aan die onuitroeibare aardse drift. Ondanks het leeftijdsverschil bleken Gerrit en ik een zelfde soort verering voor vrouwen te hebben. Ons beider heterosexualiteit, bij Gerrit beleefd binnen een goed en kameraadschappelijk huwelijk en bij mij nog op eigen houtje, kreeg wel vrij baan in al onze in wensdromen geschapen denkbeeldige relaties. Zwervend in die leeftijdsloze fantasieŽn, van geliefde naar geliefde, aandacht en warmte gevend en ontvangend, fietsten wij door de Haagse avonden en nachten. Meestal zag men ons daarbij niet samen. Ik zocht immers nog naar de enige ware en hij hoefde die woeste, jeugdige zoektochten niet meer te ondernemen.

In onze gesprekken over poŽzie liet Gerrit ťťn thema domineren. Dat betrof het waardecriterium "vorm of vent", waarover een aantal Nederlandse literatoren in de jaren dertig van de vorige eeuw serieus discussieerden. Voor Gerrit was dit een aangelegen onderwerp gebleven. Hij haalde er ooit een bericht in een tijdschrift mee, doordat hij zich op een festival in Oud-Poelgeest in 1952 hartgrondig had geuit over dit zijns inziens nog altijd actuele strijdpunt. Hans van Straten deed daarvan in het literair maandblad Podium als volgt verslag:

Zo kwamen dan (.) zestig dichters (.) bijeen. (.) Hij (Willem Frederik Hermans) proclameerde zichzelf tot voorzitter en riep Bergman tot de orde, die juist een cyclus van elfhonderd sonnetten wilde gaan voorlezen. Daarmee kwam er vaart in, zodat een zekere heer Kolkman al spoedig meende te moeten verklaren, dat hij onder de aanwezige dichters geen persoonlijkheden vermocht te onderkennen, en dat hij zijn hart vasthield voor wat Du Perron wel van hen zou zeggen, gesteld dat hij aanwezig had kunnen zijn. "Leopold waait over mij heen," besloot hij krachtig, "maar Slauerhoff, dat waait niet over mij heen." Daarop werden vele mensen boos. Adriaan van der Veen op de heer Kolkman, Remco Campert op Adriaan van der Veen en Charles op Remco Campert. Ten slotte werd iedereen boos op Leo Peeters.

Vorm of Vent? Taalvirtuositeit die dichters aan de dag leggen noemde Gerrit: "Meestal bellenblazerij. Volwassen moeten ze worden, als mannen het bestaan onder ogen zien, persoonlijkheid tonen." En: "Wanneer je een gedicht overlaadt met beelden, die de lezer moet ontraadselen, om daarna dikwijls niets over te houden, is een gedicht niet geslaagd. Een gedicht is een menselijke mededeling, waaruit de onverwisselbare persoonlijkheid van de dichter moet blijken." In zijn eigen gedichten laat Gerrit zien, wars te zijn van uiterlijk vertoon, eenvoud na te streven, verstaanbaar te willen zijn voor iedereen. Die uit zijn poŽzie blijkende eigenschappen maken hem ook tot aangenaam gezelschap van velen in de Posthoorn. Nimmer zit hij alleen aan een tafeltje.

Talloze malen citeerde Gerrit Slauerhoff's gedicht "Het Einde".

Nog zweven liedren op den wind
En gaan van mond tot mond,
Van ouder tot kind.

Maar 't speeltuig ligt in 't stof geworpen
En hij die ze er aan ontlokte
Is nu een afgestompte, verstokte
Dronkaard geworden in de laatste dorpen.

Nog zweven liedren op den wind Ö

Doordat de middelste vier regels het diepst in mijn geheugen waren gegrift, vertaalde mijn brein gedurende lange tijd het woord speeltuig naar speelgoed. Aldus hoorde ik in het vers het drama van het oud geworden kind, dat dromen en voornemens in rook zag opgaan en met lege handen staat. Mijn vertaling was incompleet. Het gedicht laat de dichter eveneens vakmanschap en waardigheid verliezen. Het leidend onderwerp van het gedicht vormt ongetwijfeld de menselijke behoefte, nog maar wat verder te leven na de dood, zo lang mogelijk herinnerd te blijven door iets van je zelf. Slauerhoff verwoordt die illusie in de eerste en laatste regel. Zijn overacting hinderde mij niet toen ik jong was. Nu erger ik mij eraan. Een beetje vent poseert niet als poÍte maudit.

In de verste verte waren Gerrit en mijn andere dichtervrienden geen "poÍtes maudits". Gelukkig maar. Wel acteerden de meesten van ons een soort eenzaam dichterschap. Ons werkelijke sociale gedrag was er strijdig mee. Zeker in onze verhouding tot vrouwen. Jan Cremer verdiende in die tijd met zijn eerste "onverbiddelijke bestseller" veel geld. In de Posthoorn kenden we hem persoonlijk. Hoewel hij door sommigen wel werd benijd om het commerciŽle succes, verweet niemand hem immoraliteit. De sexuele avonturen, die Jan met "zijn" vrouwen zinnenstrelend beschrijft, mogen niet aan feministische normen voldoen, nergens zijn ze rŁcksichtslos crimineel. Dat was geheel andere koek bij de toen ook door mijn (naÔeve, denk ik nu) Posthoornvrienden gelauwerde (ten onrechte, denk ik nu) Slauerhoff! Van de laatste zijn de volgende versregels.

"Ik roofde een landmeisje haar melk en deugd.
Met volle teugen en had geen berouw."

Een poÍte maudit, die dit over zichzelf openbaart noem ik mauvais. Een verkrachting stoer, dichterlijk en zonder enig mededogen beschrijven doet mij denken aan de cynische beeldspraak "in het moeras bloeien de mooiste bloemen".

Waarom kapittel ik de genoemde dichter om een stuk of wat gedichten? In feite wil ik achteraf - schandalig laat dus - een bijdrage leveren aan de oude, nutteloze discussie over vorm-of-vent. Zeker, persoonlijkheid genoeg bij Slauerhoff en Jan Cremer en beslist ook vorm, ja, de erbij passende, effectieve vorm. Maar wanneer ik het criterium van vent op de in die discussie aanwezige Slauerhoff toepas, dan valt die door de mand van mijn ventdefinitie. Bij kunstenaars zoek ik naar empathie en menselijkheid. Dat lijken bij de beoordeling van letterkunde dikwijls opzijgeschoven criteria. Terecht, zegt mijn geweten. De kunst zelf moet vrij en normloos kunnen zijn. Maar voor mij staat de dichter boven het gedicht. Ik houd niet van mensen die trots zijn op harteloze kontakten. Gehandicapte relaties mogen door kunstenaars indrukwekkend worden vorm gegeven. Gewetenloos pochen over crimineel gedrag en er een vent voor genoemd worden, kom nou!

De Angelsaksische literatuur droeg ik letterlijk met mij mee in die tijd. In de zakken van mijn door vele jaren dragen tot op de draad versleten houtje-touwtjesjas stak altijd de in pocketvorm uitgebrachte editie van Ezra Pounds Selected Poems. Mijn liefde voor het werk van Eliot, Auden, Dylan Thomas en anderen behield ik. Maar Gerrit Kolkman voegde er Franse auteurs aan toe. Gide, Anatole France, Malraux, Flaubert, Stendhal. En ik ging die lezen, in vertaling. Vanuit de Duitse literatuur leerde Gerrit mij Rilke, Heine en Klabund kennen.

Een gedicht van de laatste, "Ich baumle mit de Beene", schreef hij zelfs voor mij over, wat hij al eerder deed, bijvoorbeeld met een gedicht van Paul Eluard. Terwijl ik deze herinnering noteer, herlees ik "Ich baumle mit de Beene" en beland in het begin van de vorige eeuw, in de grote stad - bij Klabund: Berlijn - waar armoede en uitbuiting het dagelijks leven beheersen. Het is het milieu, dat in heel de wereld kunstenaars en schrijvende auteurs geÔnspireerd heeft tot het aan de kaak stellen van sociale misstanden, dan wel die "meer neutraal" in woord of beeld zichtbaar maken. In ons land plaatste Rudy Cornets de Groot met een biografie Koos Speenhoff mede daarvoor in het licht. Als een veronachtzaamd geschenk voor de letterkunde beschouw ik poŽzie als deze, uit de sociaal-realistische school. Zij is geschreven in mensentaal, opgetekend in volksbuurten en de zelfkant van de stad, vanuit het hart op de goede plaats en met de mentaliteit van "de straat". Gelukkig zullen er nu nog maar een paar kamergeleerden zijn, die de behoefte hebben, kwalitatief onderscheid te maken tussen hun eigen hoge letterkundige honing en die uit gewone potten. Overigens, zegen behoeft het levenslied in ons land in het geheel niet meer, sinds Lucebert het genre met "De soldatenmoeder", geschreven voor de Zangeres Zonder Naam, overtuigend heeft geŽerd en opgewaardeerd.

Gerrit Kolkman publiceerde veel gedichten en enige keren proza in Tijd en Taak, het orgaan van de Woodbrookers-beweging. In 1961 komt in de reeks Haagse Cahiers een bundel gedichten van hem uit, titel: En alles ligt op stroom. Johan van Nieuwenhuizen (1925-2001) - ook een goede Posthoornvriend - redigeerde dat tijdschrift. In de eerste jaargang was daarin al poŽzie verschenen van Cor Stutvoet, Hans Janssen, Dolf Verroen, Jozef Eyckmans en Willem Hussem. In de Haagsche Courant schreef Kees de Bruijn over Gerrit Kolkman: "Hij verdient (Ö) als schrijver van een gevoelige, open en daardoor gemakkelijk aanspreekbare poŽzie, groter bekendheid dan alleen maar bij de lezerskring van een enkel tijdschrift. Daarom is het goed, dat er nu een bundeltje met zijn verzen, die een sterk persoonlijke indruk maken, is uitgekomen."

Gerrit is in de duinen bij Den Haag begraven. Zijn overlijden werd diep betreurd. In de eerste plaats door zijn vrouw, dochters en kleinkinderen. Daarnaast door vele anderen.

In 1968 verscheen bij De Oude Degel, Rijswijk (Z.H.), van Gerrit Kolkman "Wanneer ik macht had ik zou schrijven.", keuze uit zijn nagelaten gedichten, gevolgd door "Un salut des copains". Aan die afscheidsgroet droeg ik naast Cor Stutvoet, Jozef Eyckmans en Johan van Nieuwenhuizen bij met het volgende gedicht.

6 oktober 1966

Miljarden gingen hem voor met leven
gingen liefhebbend rond als rijke armen
miljarden gingen hem voor met sterven
lieten achter beminden en namen van werkelijkheid

maar wie stierf was de ene die wij kenden
weinigen droegen dromen duidelijker voor zich uit
van vader tot zoon en van zoon tot vader
als heer van de aarde als knecht van de hemel

om ons heen raken zijn woorden verloren


Piet Boekestijn, september 2009