herinneringen
overzicht
Herman van Gessel

Mijn behoefte om direct te kiezen kon ik nooit bedwingen. Zelden weerstond ik de verleiding, op eerste indrukken af te gaan, spontaan te handelen, opinies ondoordacht te geven. Ik ben ongedisciplineerd. Vlakbij mijn onbeheerste zelfexpressie ligt bovendien, dat ik niet soepel opensta voor het andere of het nieuwe. Zeker niet, wanneer ik er onvoorbereid mee word geconfronteerd. Helaas geldt die houding ook ten aanzien van mensen die ik tegenkwam. Daardoor miste ik relaties die mijn leven hadden kunnen verrijken. Een en ander geldt eveneens voor kunstuitingen en hun makers. Mijn oordeel over werken van kunst ontstaat direct en vanuit subjectiviteit en (over)gevoeligheid. Exposities bezocht ik het liefst, wanneer werk van verschillende kunstenaars werd tentoongesteld. Kunst waartoe ik mij negatief verhoud, waarbij ik aversie voel, kon ik dan snel voorbijlopen, om stil te staan en aandacht te geven aan wat mij raakt en boeit. De begrippen mooi en lelijk spelen geen rol bij wat ik beleef. Meestal onbewust vertaal ik een schilderij of een sculptuur naar door mij veronderstelde persoonlijke intenties en eigenschappen van de maker. Wanneer diens karakter en bedoelingen mij aantrekken, bezie ik hun werk vrijwel altijd met sympathie. Ik schreef, dat ik door mijn selectieve houding ontmoetingen misliep. Ik betreur dat niet. Terugkijkend op mijn leven, zie ik volop levendige kontakten. En geen ervan zou ik hebben willen missen. Alle wil ik wel opnieuw beleven. Van woordenloze, gewisselde blikken en handdrukken tot intiemere kennismaking met de binnen- en buitenkant van talloze vriendinnen, vrienden, bekenden en vreemden.

De beeldende kunst heeft mijn leven gekleurd . Hoe ontstond en groeide mijn affiniteit ermee? Een baby was ik toen mijn ouders in Den Haag verhuisden van de Laakkade naar de langs het tracé van tramlijn 11 lopende Parallelweg, waar mijn zusje en broertje werden geboren. Het duurde niet lang, of mijn ouders raken bevriend met de benedenburen, Herman van Gessel en diens vrouw Friedl, die één van de vele Haagse Else Böhlers is. Haar huwelijk met Herman bleef kinderloos. En wanneer de vader van Herman overlijdt, trekt diens weduwe bij het echtpaar in en gaat Friedl niet langer alleen voor Herman zorgen, maar ook voor diens Mutti. Voor alle vrienden en bekenden is duidelijk, dat in feite Hermans moeder het kleine huishouden bestuurt. “Zoals een Jiddische mamme”, zei mijn moeder, hoewel er voor zover ik weet geen aanwijzing voor bestond, dat Mutti een Joodse was. Herman voorzag in het levensonderhoud van de twee vrouwen en hemzelf met de handel in schilderijen. In zijn zakboekje stonden daartoe twee soorten namen en adressen. Die van de schilders van wie hij werk betrok en die van de potentiële kopers. De laatsten, anders dan de eersten, waren welgestelde Hagenaars die zonder uitzondering woonden in het Statenkwartier en het Benoordenhout; een enkele bewoonde een villa in Wassenaar. Om zijn klanten te bereiken maakte Herman meestal gebruik van de tram, de te verkopen schilderijen in zeildoek onder zijn arm. Een hoogst enkele keer kan hij er niet onderuit, een deel van de verwachte verdienste bij voorbaat uit te geven aan taxivervoer.

Toen ik drie was geworden verhuisden we van de Parallelweg naar de Groenteweg. Een verhuizing op die leeftijd markeert het moment waarop het geheugen ervaringen gaat bewaren. Verzin ik de eerste jaren van mijn leven als overgoten met alle schakeringen van grijs en beige, het wonen op de Groenteweg brengt fellere kleur in de herinneringen aan mijn vroegste jeugd. Wellicht komt het, doordat de Parallelweg de Schilderswijk begrenst, een stadsdeel waarin aan het eind van de negentiende eeuw op veengrond in een snel tempo veel relatief goedkope arbeiderswoningen waren gebouwd. Op een enkel deel van de wijk na - bijvoorbeeld Het Fort - ging het om dicht op elkaar gebouwde en te kleine étagewoningen van donkergele of grauwe baksteen. De Parallelweg besluit het zuidelijk deel van de wijk en wekt een zelfde indruk, niet naargeestig maar enigszins terneergeslagen, niet somber maar saai. Gelukkig wel straten vol mensen. En kinderen die op straat speelden; redelijk veilig, want in de jaren dertig van de vorige eeuw was er nog nauwelijks autoverkeer.

De verhuizing van ons gezin hield in, dat we aan de andere kant van de tramrails, waarover lijn 11 reed, kwamen te wonen. De Groenteweg omsloot – samen met de Hoefkade - het nieuwste stadsdeel van Den Haag, het Laakkwartier, zo genoemd naar de Laak, de verbinding over water via Loosduinen met het Westland. De groothandelsmarkt voor groenten en fruit ligt ook in dat kwartier. Aan de westkant van die markt vind je de Hoefkade, die het Transvaalkwartier voltooide. Het gebied bood huisvesting aan duizenden arbeidersgezinnen en aan de kleine middenstand. Uit het Westland werden groenten over water (Loosduinsevaart en Laak) met platbodems aangevoerd. Winkeliers en marktkooplieden kochten de verse waren dagelijks vroeg in de morgen in. Op marktdagen konden ze vervolgens direct met handkarren, bakfietsen en wagens naar de detailhandelsmarkt aan de Herman Costerstraat worden gebracht.

Een Joodse bouwvereniging liet op de Marktweg een blok goede portiekwoningen bouwen. Vanuit het oude Haagse centrumgebied - waar zij dichtbij de warenmarkt op de Prinsegracht en bij de synagoge in de Wagenstraat hadden gewoond - verhuisden mede daardoor veel Joodse gezinnen naar de aantrekkelijke nieuwe buurt. Hoewel ik bij onze verhuizing naar de Groenteweg nog geen vier jaar oud was, hield ik er permanent het gevoel bij, dat we in een gloednieuwe wijk, in een woning van rode baksteen, met een ruime achtertuin, een nieuw leven waren begonnen. We gingen ook dichter bij het pas aangelegde Zuiderpark wonen. De grijze, oude buurt hadden we definitief achter ons gelaten.

Ondanks de verhuizing blijft tot ver in de jaren vijftig van de vorige eeuw de vriendschap van ons gezin met de Van Gessels bestaan. Wij bezoeken ze op verjaardagen. Bij die bezoeken ga ik aanvoelen, dat “oom” Herman een andere cultuur vertegenwoordigt dan die welke ik uit onze familie ken. Vrijwel zonder uitzondering zijn de mannen in mijn familie vaklieden, met een gemakkelijk kenbaar beroep, dan wel verdienen ze als winkelier het brood. Eenvoud en soberheid, daarvan getuigen hun en onze manier van leven. Je kunt het ook aflezen aan het huisraad en de stoffering van de huizen. In vergelijking met de zeer degelijk geregelde levenswijze van mijn ooms en tantes stonden mijn ouders gelukkig open voor een minder nauw afgebakend leven. Dat ons gezinsleven zonder luxe was, kwam voort uit de beperkingen die het geringe arbeidsinkomen van mijn vader ons oplegde en niet uit bekrompenheid. De eindjes moesten aan elkaar worden geknoopt. Mijn moeder is daar haar leven lang goed in geweest, in het zuinig zijn zonder dat aan haar kinderen te laten merken. Wanneer mijn moeder zichzelf en ons zo goed mogelijk kleedde, deed ze dat volgens de laatste mode. Zélf deed ze dat al sinds ze haar eerste baantje kreeg, op haar twaalfde jaar, als hulpje op een bewaarschool. Broekenbindster noemde men haar op die school, waar ze de kleintjes hielp met het uit- en aantrekken van rokjes en ondergoed wanneer ze naar het toilet moesten.

Vanzelfsprekend was de modieuze kleding die zij in haar jeugd bij de zondagse kerkgang droeg, haar destijds al op afkeurende blikken en opmerkingen van de kerkmensen komen te staan. De niet-lange rok en lichtbeige kousen gaven daartoe beslist aanleiding. Mijn vader, die uit een niet-bevindelijk gereformeerd milieu kwam, stond van nature gemakkelijk open voor de mores in milieus buiten het onze. Overigens, bij geen van mijn ouders bespeurde ik ooit enige vooringenomenheid ten aanzien van mensen die op een andere manier leefden dan wij. Eerder was er altijd oprechte interesse voor een andere levenswijze. En vooral voor de verschillende manieren, waarop anderen in de armoede van de jaren dertig en veertig het hoofd boven water hielden. Herman van Gessel vormde voor ons gezin een verbinding met een omgeving waarin niet hoofdzakelijk nut en noodzaak centraal stonden, maar waarin het in een zekere welstand genieten van alles wat je mooi en prettig vindt, gewoon wordt gevonden. “Geld kun je ook verdienen met praten! Oom Herman doet dat. In de handel, met schilderijen.” Ik moet die woorden veel in mijzelf hebben herhaald

Herman van Gessel nam mijn ouders, mijn zuster en mij kort na de oorlog op een zondagmorgen mee naar het Mauritshuis, waar een vriend van hem conservator was. Geen van ons gezin had daarvoor ooit één stap in een museum gezet. Het zien van onder meer de door Rembrandt, Vermeer en met name Hans Holbein geschilderde portretten maakte in mij totnogtoe onbekende gevoelens wakker, heviger en ijler dan de dagelijkse emoties, samenhangend met vreugde en verdriet. Lang bleef ik kijken naar een vrouwenportret van Holbein. Haar gezicht was tot in details scherp als een zwart-witte foto, maar zoals deze fijnschildering in kleur had ik nog nooit een foto gezien. De omslag van het blad Panorama, dat vroeger wekelijks bij de Dansers (oom David en tante Esther) werd bezorgd, en sommige van de paginagrote advertenties die erin stonden, waren in kleur, maar ze waren getekend of in aquarel. De Nederlandse editie van het Duitse blad, “Signaal” bevatte wel kleurenfoto’s, maar die waren nooit haarscherp. Dat kleine vrouwenportret van Holbein in het Mauritshuis zou mij altijd bijblijven. Er bestond, mijmerde ik, een schoonheid die uitgaat boven het alledaagse. Veel later ging Holbeins koele weergave van een vrouwengezicht deel uitmaken van wat ik vol begeerte zou gaan najagen, de vrouw als een zuiver kind, als een moeder die maagdelijk blijft, als een lieve en trouwe kameraad, vooral schuldeloos en bovenal sterk. Tegelijkertijd groeide in mij het stiekeme verlangen naar groots en meeslepend leven, dat mijn verlangen later in de gedichten van Marsman vond. Dat soort leven - die schilderijen in het Mauritshuis hielden daarmee op de een of andere manier verband - ging ver uit boven de rechtzinnige heldenavonturen die ik al lezend meebeleefde in de uit het Amerikaans vertaalde cowboy-boeken van bijvoorbeeld Zane Grey, die ik leende die uit de leesbibliotheek De Leeskring op het Kaapseplein.

Na het bezoek aan het Mauritshuis wandelden we met ons vijven via de Vaillantlaan en over de Hoefkade naar huis. Herman sloeg op een hoek linksaf, want met zijn moeder en Friedl woonde hij nog altijd op de Parallelweg. Mijn ouders en Bep en ik liepen daarna nog een eindje rechtdoor, naar Hoefkade 1460, waar we - na drie verhuizingen – in de zelfde buurt - tot 1960 zouden blijven wonen. Ja, in Herman van Gessels huishouden ging het anders toe dan in het onze. Mijn moeder hield van “nogal schoon”, maar overdreef dat niet. De lucht van chloor en boenwas in de woningen van mijn buurtvriendjes zou je bij ons beslist niet ruiken. Bij de Van Gessels ook niet. Wel vond ik, dat Hermans woning, misschien door de pluche fauteuils en de Perzische tapijten op de vloer wel anders, misschien wat stoffiger rook dan het zeil en de cocosmatten in onze huiskamer.
Op een vrijdagmiddag zei mijn vader: “Piet, voor het eten wil ik nog even naar Herman. Vanmorgen kwam ik hem tegen. Hij vroeg me naar zijn pas ingekochte schilderijen te komen kijken.” Nog geen tien minuten later belden we bij hem aan. Herman deed zelf de deur open. Hij had echter een regenjas aan en een zwarte hoed op. “Loop eerst even mee naar de keuken.”, zei hij. Met de deur naar het balcon open en die naar de gang dicht maakte hij zijn werk af. Dat was het poetsen van de schoenen van zijn moeder, van Friedl en van hemzelf. “Ik doe dat altijd op de vrijdagmiddag. Een prettig karweitje.” Ineens besefte ik, dat Hermans kleding, ja zijn gehele verschijning, mij in die geheel andere wereld brachten dan die waarin ik verkeerde. In Hermans wereld was je goed en liefst joyeus gekleed, sprak je met elkaar over een artikel in de krant. Was je beslist ook geabonneerd op het tijdschrift ’s-Gravenhage in Beeld, de Panorama, die we van de familie Danser kregen wanneer ze hem uit hadden.

Dat mijn vader zijn bezoekje aan Herman geheel anders beleefde, bleek me overigens toen ik, thuisgekomen, mijn vader tegen mijn moeder hoorde zeggen: “Jopie, ik zag zoiets geks, Herman stond half op het balcon en met zijn hoed op voor zijn hele familie schoenen te poetsen.” “Echt wat voor hem,”zei mijn moeder,”hij is een Pietje Precies, aan Friedl vertrouwt hij het niet toe, en zijn moeder zal het beslist niet doen.”

Toen alle schoenen glimmend op de keukenvloer stonden, hingen we onze jassen aan de kapstok in het halletje en kregen van Friedl thee en een mariakaakje. Dat was in de huiskamer, die zij de zitkamer noemden. “Maar Niek, ik zou je mijn nieuwste schilderijen laten zien”, zei Herman na een minuut of tien. En hij ging ons voor naar een kabinetje aan de voorzijde van de étagewoning. Herman en mijn vader liepen voor mij de kamer in. Uit de deuropening kwam een prettige geur die ik op dat moment nog niet kon thuisbrengen. Nù weet ik, dat ik toen voor het eerst olieverf rook en verse vernis daarop. De wanden van de kleine kamer waren bijna geheel bedekt met Hollandse weidelandschappen, enkele stadsgezichten en een aantal afbeeldingen van zeeschepen in wat ik vermoedde, dat het de haven van Rotterdam moest zijn. Terwijl mijn vader met Herman praatte over een tafereel van een kunstschilder Delfgaauw, bleef mijn blik gefixeerd op een afbeelding die ik nog nooit had gezien. In gloedvolle, heldere kleuren had de maker een jonge vrouw geheel naakt op het doek gebracht. Ze stond in een zonnige kamer, had zwart haar, halflang, en keek me zonder terughouding recht aan. In haar oksels en hoog tussen haar dijen glansde donker haar van de zelfde kleur. Vooral de kleine, vochtig glanzende bosjes haar onder haar armen, biologeerden me. Ze zouden mij hierna een leven lang, zelfs nu nog - op het moment waarop ik dit schrijf - bijblijven. Haar huid was bleek, in vol contrast met de achtergrond van felrood kamerbehang. Eén hand rustte op de rugleuning van een geelgeverfde houten stoel. Wanneer ik vele jaren later schilderijen zie van een vrouwelijk naakt, van bijvoorbeeld Jan Sluijters of Kees van Dongen, zal zich daaroverheen steeds weer dat beeld aan mij opdringen. De eerste vrouw die zich in haar verrukkelijke naaktheid bij Herman van Gessel aan mij had laten zien. In mijn verwarrende verlangens, die me nooit hebben verlaten, was het imaginaire object van mijn begeerte vastgelegd. Nog veel jaren zou het duren voordat het een meer realistische vorm kon krijgen.

Piet Boekestijn, januari 2012