herinneringen
overzicht
Joop Stigter

In onze buurt ken ik bijna alle mensen. Ik weet waar ze wonen en wat ze doen. Ons stadsdeel ligt tussen de Herman Costerstraat-markt, de Julianakerk, het Zuiderpark en de groenteveiling achter de Marktweg. Het Kaapseplein is dichtbij, maar ik speel veel in en om het park. Op marktdagen natuurlijk op de markt. In de Schalkburgerstraat ga ik naar school. Ik moet zeggen: ging ik. De scholen zijn gesloten. Voor hoe lang? Het is gauw december. Het wordt al vroeg donker en in bed kun je het dreunende gebrom van Engelse bommenwerpers horen. Die vliegen naar Duitsland. Soms is er luchtalarm. Mijn moeder en zusje lopen dan de binnentrap af en gaan voor de veiligheid in het halletje onder de trap staan. Wanneer afweergeschut in actie komt zie je eerst zoeklichten. Pas wanneer mijn moeder dringend roept ga ik naar beneden. Sinds september schieten de Duitsers ook V1-raketten af, op doelen in Engeland. We denken vanuit het Haagse bos. Van heel Scheveningen en de wijken die er tegenaan liggen - en dus ook van het bos - hebben de moffen Sperrgebiet gemaakt.

Ingang Zuiderpark Het is het eind van de middag en ik loop in mijn eentje aan onze kant van de Hoefkade bij het Kaapseplein op het brede trottoir in de richting van het Zuiderpark. Op straat rijden geen auto's. Soms zie je een man op een bakfiets of met een handkar en heel af en toe een paardenwagen. Ik loop langs het plein, waarop nog wat houtloze struiken de laatste blaadjes verliezen. Bomen zijn omgezaagd, struiken grotendeels gekapt. Ik passeer de winkel waar Wim van de slager woont. Vlak ernaast het huis, waarin de vader van Harry Wijling aan het werk is in zijn als kantoortje ingerichte voorkamer. Een begrafenisonderneming heeft hij: Hodie Mihi Cras Tibi. Dan krijg je de etalages van de kantoorboekhandel, die leesboeken uitleent. Mijn moeder haalt daar bij de twee nooit getrouwde vriendinnen streekromans voor zichzelf en cowboyboeken voor mij. De winkel ernaast is van de dure, vroeger druk beklante banketbakker Straathof. Diens dochter is een vriendin van Bep. Een paar jaar geleden kocht mijn moeder er elke zaterdagochtend roomboterkoekjes. Als je de winkeldeur opende kwam een verrukkelijke geur van cake en gebak in je neus. Ik herinner mij die geur! Nu loop ik langs het filmverhuurbedrijfje van Vreeburg, de vader van Robbie, die mij twee keer een bloedneus sloeg en toch mijn vriend blijft. We zijn allebei even opvliegend. Moeilijk is het, wanneer ik met een bebloed gezicht thuiskom, mijn moeder tegen te houden om direct naar de ouders van "die gemene gozer" te rennen. Op het schoolplein sloeg een jongen mij een blauw oog. Ik durf een ander nooit op zijn gezicht te stompen. Als ik eraan denk hoor ik neusbeen kraken en zie ik een oogbol als een druif in elkaar drukken. Nog maar 25 meter in de richting van het Veluweplein en ik sta voor onze portiektrap.

Op tweehoog wonen we. Beneden, nog vr de granieten trap, op nummer 1456 een melkzaak. De melkboer is vriendelijk; verder weet ik niks over hem. Alleen iets dat ik niet goed snap. Namelijk dat zijn vrouw op een bepaald moment niet langer verdroeg, dat hij op zaterdagavond van huis ging. Zonder te zeggen waarheen. Ze schakelt een soort detective in. Na drie keer volgen ontdekt die, dat haar man eenmaal in de week op bezoek gaat bij een vrouw in wijk zeven. Tegen mijn moeder fluisterde de buurvrouw: "Ik heb hem niet verteld, dat ik die ouwe rechercheur van De la Reyweg heb ingeschakeld." De reactie van mijn moeder: "Dat zou mij niet overkomen." Die melkwinkel. Toen er nog voldoende te eten was trok op warme zomerdagen een zurige lucht van melk en kaas op naar de bovenetages. Hoe lang is dat geleden? Op wat lege verpakkingen en reclames voor margarine na is de etalage van de melkboer, net als die van Straathof, akelig leeg. De trap op. Bovenaan ons huisnummer, 1460. Mijn vader schroefde toen we er gingen wonen een gemailleerd naambordje op de deurpost. Stiekem ben ik er trots op, dat alleen onze achternaam er op staat, zonder de letter N van zijn voornaam. De trap af. Aan de linkerkant ben ik bij de groentewinkel van Joop Stigter. Met vrouw en zoontje woont hij in de twee kamers achter zijn zaak.

Joop is een Rotterdammer. Even oud als mijn vader, iets langer, maar net zo sterk. Een paar jaar geleden begon hij zijn groentezaak op 1466. Bij buurtbewoners is hij populair. In de eerste plaats vanwege zijn goeie aardappelen en groenten. En natuurlijk ook omdat hij niet duur is. En, hij is rechtdoorzee. Niet kinderachtig. Nooit zeurt hij over een paar ons andijvie meer of minder. Van de eerste kennismaking af merkte ik bij mijn ouders al vriendschap voor Joop en zijn vrouw. Wederzijds is dat ook zo. En, we helpen elkaar. Op een ochtend, nog in het donker, zaagden mijn vader en Stigter drie bomen om, op het Kaapseplein. Ook Winterwerp, van de overkant, en andere buurmannen hielpen mee de in stukken gezaagde stammen en takken in huis te halen. Het meeste kwam terecht op ons balkon en in de winkel van Stigter. Hoewel mijn moeder dat liever niet had, mocht ik er toch bij zijn en meehelpen. Ik denk, dat hoogstens in een half uur tijd alles achter de rug was. Het moet ook snel. Voor die dingen kun je worden doodgeschoten wanneer je wordt betrapt. "Maar je moet wel", zei Stigter, "als je niks doet sterf je van de kou de komende winter." "Gelukkig weet Stigter van wanten." zei mijn vader tegen me. "Ja, we hebben prima buren."

Trouwens, dat was ook al zo, toen we van de Kaapstraat naar de Hoefkade waren verhuisd en de joodse families Danser en Meijer onze buren werden. Mijn ouders sluiten snel vriendschappen en die zijn voor het leven. Vrijdagavonden vierden we dikwijls samen bij de Dansers die onder ons woonden. Voor Bep, mij en Fietje was er chocola en waren er amandelen. Oom David noemde mijn vader Boekie. Gedurende korte tijd verdienden ze zelfs samen de kost. Oom David was een ramsjer. Duur gezegd: hij handelde in ongeregelde goederen. Ze gingen samen handeltjes opkopen en ermee op de markt staan. Dat is meer dan anderhalf jaar geleden. Op een bepaald moment doken de Dansers onder bij oom Jan, broer van mijn moeder. Van de Meijers wisten we niet waar ze naar toe vluchtten. Van Willem Meijer, die bij de Ooievaars voetbalde, kreeg ik voor hij zijn huis verliet, al zijn jongensboeken. Wat ik erg vond was, dat hij een paar dagen voor ze weg moesten tegen mijn moeder zei: "Ik voel me ziek, Jo, ik heb achter elkaar wel zes sigaretten gerookt met suiker erin. Om je longen kan je dan worden afgekeurd voor het transport naar het Oosten, zei een vriend tegen me." "Ach jongen, doe zulke dingen toch niet", zei mijn moeder, "je mag jezelf niet ziek maken." Hoe het met hem, zijn vrouw Sophia en hun baby Ruben is gegaan? Niemand weet het. De Dansers hadden het maandenlang nog goed bij mijn oom en tante op de zolderverdieping van het huis op de Schimmelweg. Af en toe kwamen ze zonder de gele davidssterren - die mijn moeder nog op hun kleren had genaaid - bij ons op bezoek. Ik heb een kiekje, dat mijn vader in de tuin van Joop Stigter heeft gemaakt. Daarop zijn mijn moeder, Bep en Fietje Danser te zien. Uiteindelijk worden oom David, tante Esther en Fietje toch verraden en met oom Jan erbij midden in de nacht weggehaald. Oom Jan naar het concentratiekamp Vught. Maanden later kwam hij vrij. Met een kapotte rug door de stokslagen die hij er had gekregen van een gemene bewaker. Waarheen de Dansers zijn gebracht weet geen mens. We hebben nooit meer wat van ze gehoord.

Op ons portiek waren de woningen 1458 en 1464 al bijna direct na het vertrek van onze joodse buren weer verhuurd; de ene aan een politieman, Danils, met zijn vrouw en de andere aan meneer Hopman met zijn gezin. Volgens mijn vader is Hopman de zoon van een bekende Haagse aannemer die zo naef was, voor de oorlog lid te worden van de NSB. Met beide gezinnen gaan mijn ouders ook weer vriendschappelijk om. Voor dat lidmaatschap van de NSB bleek Hopman zich wel te generen. Tegen mijn ouders zei hij: "Je hebt wel gezien, dat de slager op de hoek van de Spionkopstraat in het uniform van de partij wekelijks mijn contributie komt innen. Ik werd lid omdat ik goede dingen in hun ideen zag. Ik kan nu geen nee tegen hem zeggen." Wat hij zegt begrijp ik wel. Die slager lijkt me geen aardige man. "Hopman? Echt, die zal geen kip kwaad doen.", vinden mijn ouders. Nadat Hopman een keer had gehoord, dat ik veel las, leende hij mij twee dikke boeken: De Drie Musketiers en Moeder, vertel me nog eens wat van Adolf Hitler. Het avontuurlijke, spannende boek van Alexander Dumas las ik eerst. Daarna het andere. Hitler heeft geen gemakkelijk leven gehad. Wat in dat boek over Oostenrijk en Duitsland staat wist ik niet. Op school gingen de lessen geschiedenis niet verder dan tot de Franse bezetting. Eigenlijk weet ik nog het meest over de Tachtigjarige Oorlog, ook al doordat de jongensboeken die ik uit de openbare leesbibliotheek leen, daarover dikwijls gaan. Maar, ik denk, dat we op school nog wel over de eerste wereldoorlog zullen leren.

Over een maand wordt het 1945. Al het eten is erg streng op rantsoen en, zelfs als je er al bonnen voor hebt, dikwijls niet te krijgen. Vroeg donker is het en het begint al kouder te worden. In de kolenkachels, waarop iedereen kookt - gas en elektriciteit zijn afgesloten - wordt hout gestookt, of turf, want cokes en steenkool zijn op. De zaak van Stigter is open. Maar alleen enkele kisten met suikerbieten, die ook op de bon zijn, heeft hij nog. Niet zichtbaar en uitsluitend voor zijn vaste klanten. Dat was een paar jaar geleden anders. Toen was het af en toe druk en hielp ik mee in de winkel. Ook reed ik wel eens in zijn bakfiets mee, wanneer hij op de groenteveiling nog wat moest halen. Voor de grap ging hij zelf een keer in de bak zitten en mocht ik trappen.

Kort geleden hielden de Duitsers in Rotterdam een razzia. Op een ochtend bleken daar overal affiches aangeplakt. Alle mannen tot 40 jaar moesten zich melden voor werk in Duitsland. Zelfs jongens die bijna zestien waren. En tienduizenden waren zo dom om dat bevel op te volgen. Ze waren natuurlijk ook bang, omdat je zomaar doodgeschoten kon worden. Oom Andries vertelde over die razzia. Hij is de oudste broer van mijn moeder en woont in Rotterdam. "Niek, wanneer iemand zich aanmeldt verdwijnt hij dezelfde dag met een trein naar Duitsland. Waar je terecht komt weet je niet. Duik onder. En, omdat je nog geen veertig bent, laat je ouder maken op je persoonsbewijs." Direct daarop bracht mijn vader zijn persoonsbewijs naar Muller, een overbuurman, die op de tweede etage boven de familie Winterwerp woont. Wij zijn misschien wel de enigen in de buurt die weten, dat Henk Muller iemand kent die weer iemand kent die bij het verzet zit. Eigenlijk wisten we dat door een toeval. Mullers dochter, Lottie, met wie Bep veel speelt, had bij ons een zogenaamd verzetskrantje neergelegd. Ik had er nog maar een paar woorden in gelezen, toen mijn moeder het van mij afpakte en - hup - in de kachel gooide. "Veel te gevaarlijk", zei ze. Over verzetsmensen weet ik eigenlijk alleen maar van horenzeggen. In de krant staat soms, dat mensen die verzetsdaden plegen, de doodstraf krijgen. Mijn ouders vinden dat vreselijk, maar mijn vader denkt, dat wanneer je bij het verzet gaat, je dat meestal doet omdat je avontuurlijk bent en dat je, wanneer je een gezin hebt, daaraan in de eerste plaats zou moeten denken. Ik zei al, dat mijn vader zijn persoonsbewijs naar Muller bracht, want een achterneef, die bij de ondergrondse was, zou in het persoonsbewijs van mijn vader het geboortejaar 1909 in 1900 veranderen. Toen ik vanuit ons raam in de huiskamer even later mijn vader bij Muller vandaan zag komen, kwam hij tot mijn verbazing niet rechtstreeks thuis. In het spionnetje buiten ons raam zag ik hem aan onze kant de winkel van Stigter binnengaan. Het duurde vervolgens wel een half uur voor ik hem onze binnentrap op hoorde komen. In de keuken praatte hij gedempt. "Piet, Joop wil dat ik hem help om onder zijn achterkamer een schuilplaats te maken. In de vloer zaag ik planken weg en maak dan een luik. Om ons te verbergen, wanneer er een razzia komt zoals in Rotterdam. En Henk Muller heeft mijn persoonsbewijs. Over drie dagen krijg ik het terug. Ik hoef er maar weinig voor te betalen. Van een negen wordt een nul gemaakt."

Voordat mijn vader zijn persoonsbewijs op kan halen is het echter al zover. Sinds vanochtend hangen bij ons in de buurt ook aanplakbiljetten met het bevel aan alle mannen om zich te melden. Mijn vader had het vloerluik bij Stigter gelukkig eergisteren al gemaakt. Nog geen acht uur is het, wanneer twee groepjes met geweren bewapende Duitsers aan beide kanten van de straat bij elke woning beginnen aan te bellen. Vanaf het Veluweplein komen ze onze richting uit en Wim van de slager en ik zien ze aankomen. Het is goed, dat mijn vader en oom Joop, gewaarschuwd door overal aangeplakte oproepen, dan al onder de grond zitten. Wanneer je de huiskamer achter de winkel binnenkomt zie je niets van de schuilplaats. Eergisteren, toen hij gereed was gekomen, mocht ik er met mijn vader en Stigter even in zitten. Daarvoor moet de huiskamertafel aan de kant en het vloerkleed worden opgerold. Als je dan een stuk zeil optilt, zie een vierkant luik van uitgezaagde vloerdelen. Je laat je daarin zakken. In de kruipruimte kon ik met gebogen hoofd zelfs rechtop staan. Op het droge zand ligt een kapot vloerkleed. Daarop enkele lage stoelen. Een beetje licht komt vanuit de tuin door ventilatietroosters in de achtergevel, maar je kunt ook een kaars aansteken. "Dat hebben we goed gedaan Niek", zei Stigter. Dat was eergisteren. Inmiddels zitten Stigter en mijn vader nu al anderhalf uur cht onder de grond en Wim en ik staan met Adri Wagner voor ons portiek te praten over wat je moet doen als een Duitse soldaat de groentewinkel binnenstapt. "Je moet nooit zeggen, dat je niet weet waar je vader is.", zegt Wim, "Dan gaan ze je huis doorzoeken en desnoods schieten ze een kogel door een kastdeur wanneer die niet opengaat.""Het beste is", zeg ik, "te vertellen, dat hij op hongertocht is." In mijn gedachten woelen nog de lange dagen toen mijn vader weg was en met oom Jan, fietsend en lopend en met levensgevaar - doordat Engelse vliegtuigen alles op de wegen beschoten - een tocht naar Ommen had gemaakt. Dodelijk vermoeid kwam hij thuis met heerlijk eten voor een paar dagen.

"Ze stoppen ermee!" roept Adri. Even later zien we de groepjes soldaten naar het midden van de straat lopen en in rijen gaan staan. Snel daarna marcheren ze, met een paar uit de huizen gehaalde mannen tussen hen in, al weg. "Nog een kwartier langer en ze hadden voor onze deur gestaan.", denk ik opgelucht. Adri en ik wachten nog even tot we er zeker van zijn, dat het gevaar is geweken en lopen dan de groentewinkel in om het te vertellen. Dat blijkt echter onnodig. De vrouw van Stigter heeft dat al gedaan. "We zaten daar prima", zegt Stigter, "maar ik ben blij, dat ik weer in de bewoonde wereld ben." Dezelfde middag nog gaat mijn vader bij Henk Muller zijn persoonsbewijs ophalen. Als hij, weer terug, het mijn moeder en mij toont, zie je onder de nieuw geschreven nul een lichtgeel vlekje, daar had de negen gestaan. "Ja, z had ik het zelf ook wel kunnen doen, gewoon, met een beetje chloor.", zegt mijn moeder en geeft mijn vader een zoen.

Het is een uur of vier. We lopen om hout te halen de brug over de Laak over en naderen de ingang van het Zuiderpark. Als altijd kijk ik naar de op zuilen geplaatste grote beelden, die mijn zuster Bep en ik Adam en Eva, maar ook wel Oorlog en Vrede noemen. Ze zijn naakt en meer dan levensgroot: Een man met een fakkel en een vrouw met een duif, want mannen voeren oorlog en moeders zorgen voor kinderen. Bij de duif denk ik ongewild aan Noach, die een duif wegstuurde om te weten of de overstromingsramp al ten einde liep. Met de oorlog n moet je ook maar afwachten wanneer die over is. Met zijn drien lopen we het park in. Want toen Joop Stigter Adri Wagner en mij voorbij zijn winkel had zien lopen en hoorde wat we van plan waren, was hij met ons meegegaan. Ik had de kleinste zaag van mijn vader bij me om daarmee de niet-dikke takken te kunnen zagen van de populieren die tegenover het Rosarium net voorbij de ingang in het park stonden. "Ik zaag wel.", zegt Stigter. Een klein half uur later hebben Adri en ik van de door hem afgezaagde takken met touw al drie bundels gemaakt. "Nog n", zegt Stigter, "ik draag er twee." Hij heeft dit nog niet gezegd, of Adri roept uit: "Daar komt een landwachter!" Vanuit het park zien we hem op ons toelopen. Aan een riem heeft hij een herdershond bij zich. En, zoals alle landwachters, aan zijn schouder een jachtgeweer. "Rustig je hout oppakken en ermee naar huis.", zegt Stigter. "We nokken." Inmiddels is de landwachter ons tot op enkele meters genaderd. Zijn hond, strak aan de riem, springt blaffend in onze richting. De dubbele loop van zijn jachtgeweer, dat hij van zijn schouder heeft genomen, wijst op de bosgrond vr ons. "Jullie laten alles hier liggen! Direct het park uit!Anders laat ik de hond op jullie los. Trouwens, ik heb het recht om te schieten." Terwijl hij dit schreeuwt richt hij zijn geweer op ons. Bang kijken Adri en ik naar Stigter. De takkenbossen gooien we neer. "Oppakken.", zegt Stigter tegen ons. En dan, tegen de landwachter: "Ben je helemaal bedonderd? Die kinderen hun hout afpakken! Man, al was je de keizer van China, je blijft met je vuile poten van dit hout af!" Dan pakken Stigter en ook Adri en ik elk een bundel op, draaien ons om -"Rustig, rustig."zegt Stigter- en lopen ogenschijnlijk kalm naar de parkuitgang. En keer kijken we om. De landwachter kijkt ons na. Zijn geweer heeft hij weer aan zijn schouder. Zijn hond houdt hij nog steeds strak aan de riem.

Wanneer ik weer thuis ben en de takken op ons balkon heb gelegd, vertel ik mijn moeder niet direct wat er gebeurde in het Zuiderpark. Wanneer zij of mijn vader er bij zouden zijn geweest, was het hout vast en zeker in het park achtergelaten. Ik houd van mijn ouders. Ik houd van Joop Stigter. Ik ken alle mensen in onze buurt. Ik weet waar ze wonen en wat ze doen.

Piet Boekestijn, Februari 2010