herinneringen
overzicht
Nicolaas Boekestijn (1909-1997)

Op 16 maart 1997 vierden mijn ouders, in aanwezigheid van Cobi, mij en vele familieleden en vrienden hun 65-jarig huwelijk. De feestelijke bijeenkomst vond plaats in het verzorgingshuis Huize Eykenburg in de Kruisbessenstraat te Den Haag, waar mijn ouders toen al langer dan zes jaar naar hun zin hadden gewoond. Op 11 oktober van dat zelfde jaar overleed mijn vader in het ziekenhuis Leyenburg en vijf dagen later stonden wij aan zijn graf op de Haagse begraafplaats Oud Eik en Duinen, Van degenen die het diamanten huwelijksfeest hadden bijgewoond waren de meesten ook bij zijn begrafenis aanwezig.

Buitenwatersloot
Mijn vader werd in 1909 in Delft geboren, in een aan de Buitenwatersloot staand huis, in het gezin van Pieter Boekestijn en Geertje Overvoorde. Het echtpaar had al een zoon en vier dochters toen Nicolaas er in zijn wieg kwam te liggen. Het geboortehuis spiegelt zich nog steeds in de gracht ervoor. In 1996 heb ik met mijn vader voor het laatst voor de woning gestaan en voor de zoveelste keer vertelde hij me over de er doorgebrachte gelukkige jeugdjaren, aan de buitenkant van Delft, dicht bij het polderwater, het gras- en bouwland met zijn molens, boerderijen en tuinderijen. Gedurende zijn gehele leven droeg hij zijn liefde voor het Zuid-Hollandse landschap uit.

Zijn zusters, Nel, Marie, Geertje en Anna bemoederden hun jongste broertje Niek. Mijn vader zei erover: “Eigenlijk werd ik verwend, maar tegelijk opgevoed door zes vrouwen, mijn grootmoeder, mijn moeder en mijn vier zusters.” Zijn broer Piet scheelde teveel in jaren met hem om samen op te trekken. De zusterlijke aandacht en zorg en vele trouwe jeugdvriendschappen vormden mijn vader tot een man, die ieder die hem leerde kennen, graag tot zijn vaste kennissenkring rekende. Mijn moeder bleek uit het zelfde hout gesneden. Toen zij samen een gezin hadden gesticht onderhielden mijn ouders alle vriendschappen samen. De deur van hun huis stond altijd open. Naast buren, vrienden en bekenden werden ook de familiebanden degelijk onderhouden. Verjaardagen van broers en zusters en ooms en tantes van beide kanten woonden we bij. Doordat ze niet allen in Den Haag woonden, maar ook in Rotterdam en Delft betekende dat voor mijn zuster en mij veel gezellige uitjes naar familie.

Familie Boekestijn
Op 31 maart 1925, op zijn zestiende jaar, verliet mijn vader “De Ambachtsschool voor Delft en Omstreken” met het diploma van timmerman. Hij vervolmaakte zijn vakmanschap vervolgens met een tweejarige avondstudie in “Vakteekenen en Wiskunde”. De cursus daarvoor volgde hij van 21 september 1925 tot 13 april 1927 bij de Gemeentelijke Nijverheids-avondschool te Delft. Zijn eerste praktische werkervaring deed hij op bij een Delftse aannemer van onderhoudswerk, bij het herstellen van gebreken aan woningen en bij de bouw van kassen en warenhuizen voor tuinders in het Westland. Die leertijd, waarin hij als een beginnend vakman, zonder steun van anderen, kleine en grote problemen in overleg met bewoners en ondernemers moest oplossen, zag mijn vader als de voor zijn een goede uitoefening van zijn beroep belangrijkste. Hij leerde er omgaan met mensen van allerlei slag. Zijn hulpvaardige houding voor iedereen die wat van hem vroeg moet hij vooral in die eerste werk- en leerjaren hebben ontwikkeld.

In 1931 leerde hij mijn moeder kennen. Mijn moeder was met een vriendin naar Delft gereisd om daar op het marktplein voor de Groote Kerk een militaire taptoe bij te wonen. Over hun eerste kennismaking zei ze niet veel meer dan: “Ik zag hem staan tussen een grote groep jongens en wist bijna direct, dat hij mijn man zou worden. Twee jaar jonger dan ik was hij en een beetje verlegen. Over zijn lichtblonde haar lag een rosse glans.” Meer dan 65 jaar zouden mijn ouders elkaar nadien trouw blijven, in voor- en tegenspoed.

Vrij snel na hun eerste ontmoeting verliet mijn vader zijn ouderlijk huis in Delft en ging inwonen bij een tante van mijn moeder in de Wouwermanstraat in Den Haag. Elkaar geregeld zien werd daardoor gemakkelijker. De lange werktijden van beiden en de afstand Delft – Den Haag hadden dat aanvankelijk verhinderd en van samenwonen kon in die tijd en in het milieu waarin ze waren opgegroeid, geen sprake zijn. Mijn vader was belijdend lid van de Gereformeerde Kerk en mijn moeder behoorde bij de meer orthodoxe Gereformeerde Gemeenten. Beide kerkgenootschappen echter zagen het huwelijk als een door God geheiligd instituut. Seksualiteit behoorde daarbinnen exclusief te worden beleefd en elke afwijking ervan werd als een zonde beschouwd.

Tussen oude papieren van mijn moeder vond ik ooit een bewijs, door de gemeente Den Haag voor Johanna Neele afgegeven voor een reis van naar België en Luxemburg, gedateerd 27 juli 1931. Talloze keren had mijn moeder ons verteld over wat zij als hun huwelijksreis hadden beleefd. Ze hadden gelogeerd in Han en daar onder meer de grotten bezocht en ook de vesting Dinant. Een Nederlandse zilveren gulden was er goud waard en in tegenstelling met het eigen land kon je je in België toen rijk voelen. De waargenomen armoede onder de Belgische bevolking na de gruwelijke Eerste Wereldoorlog had mijn moeder wel verdriet gedaan. Een materiële herinnering aan de “huwelijksreis” van mijn ouders staat nu in onze paraplubak, een wandelstok, waarin mijn vader met een zakmes “Jo en Nic” had gesneden en daaronder: “Dinant”.

Nicolaas en Johanna, 1932
Op 16 maart 1932 trouwden mijn ouders in het stadhuis aan de Javastraat te Den Haag. De zelfde dag vond de kerkelijke inzegening plaats, door ds. Lamain, in het gebouw van de Gereformeerde Gemeente in de Oude Boomgaardstraat. Niet zonder slag of stoot. De kerkelijke tuchtregels vroegen van mijn ouders, dat zij voor het oog van de gehele gemeente hun schuld zouden belijden; zij hadden immers het huwelijkssacrament ontheiligd: mijn moeder was zwanger. In diep vertrouwen vertelde mijn moeder mij ooit, dat mijn vader tijdens die in een kerkdienst afgelegde openbare schuldbelijdenis had moeten huilen, terwijl zij er zichzelf niets van had aangetrokken. Van vertoon van autoriteit gedrag moest ze in het algemeen niets hebben.

Hun eerste huis was een etagewoning op de Laakkade, nr. 372; op 9 september 1932 werd ik daar geboren. Vervolgens verhuisden we naar de Parallelweg 290, waar op 8 november 1933 ons gezin werd uitgebreid met een zusje, Elisabeth en op 4 februari 1935 met een broertje, Nicolaas.

De stad Den Haag breidde zich uit. Na de voltooiing van de Transvaalwijk was het gemeentebestuur begonnen met de realisatie van de binnen het Laakhavengebied voorziene nieuwe groothandelsmarkt voor groenten en fruit, om de aanvoer ervan uit het Westland via water te verzekeren. De woning aan de Parallelweg zag uit – over de rails van tramlijn 11 – op de Groenteweg, die het Laakkwartier begrensde en waar ruime en fraaie huizen, voorzien van een tuin voor verhuur beschikbaar kwamen. Doordat het huis aan de Parallelweg na de geboorte van mijn broertje te klein was geworden moest mijn vader omzien naar een ruimere woning en zulke woningen waren tegenover ons in aanbouw op de Groenteweg. Er kwam de welkome gelegenheid bij, dat indien na de verhuizing, mijn grootouders van moeders kant bij ons zouden intrekken, door hen een bijdrage in de aanmerkelijk hogere huur van het nieuwe huis zou kunnen worden gegeven. In april 1935 betrok mijn vader met zijn uitgebreide gezin Groenteweg 75. Vrij snel daarna kreeg mijn vader echter te maken met een belangrijke financiële tegenvaller. Mijn opa verloor als gevolg van een faillissement van zijn werkgever werk en inkomen en kon niet langer bijdragen in de hogere huur. Opnieuw moest mijn vader omzien naar een andere, nu aanmerkelijk goedkopere, woning. Hij vond die in de Kaapstraat op nr. 145.

Nicolaas met kinderen
Nicolaas, Nicolaas, Pieter en Bep, 1936
Ruim een jaar nadat hij met zijn gezin was verhuisd naar de Kaapstraat gebeurde het ergste wat ouders kan overkomen. Op de ochtend van 14 juli 1937 vond mijn moeder mijn broertje Nicolaas dood in zijn bedje. Mijn herinnering aan dat moment – ik was nog geen vijf jaar – bevat slechts wanhoopskreten van mijn moeder en van vele anderen, te midden van een chaos aan verdrietige ervaringen. Uit wat mijn vader mij pas vele jaren later vertelde, kwam ik te weten, dat mijn moeder na het overlijden van mijn broertje Nicolaas enige tijd in het psychiatrisch ziekenhuis Bloemendaal in Loosduinen had moeten doorbrengen en dat hij, omdat ze niet meer terug wilde naar ons huis aan de Kaapstraat, gedurende haar afwezigheid een andere woning had moeten zoeken. En die gelukkig had gevonden: op een eerste etage: Hoefkade 1464. We zouden daar maar kort wonen. Op 4 oktober 1937 betrokken we die woning en al op 25 november daarna verhuisden we, op het zelfde portiek, naar de tweede etage, een woning op nr. 1460, die iets meer ruimte bood.

Op geen enkele wijze hebben mijn vader, noch mijn moeder, hun kinderen ooit laten delen in de financiële zorgen waarvoor ze vast en zeker geregeld hebben gestaan. De werkloosheid in de jaren 30 van de vorige eeuw maakte mijn vader ook van tijd tot tijd werkloos. Doordat hij in zijn vakmanschap uitblonk en na ontslag steeds zeer actief bij een andere aannemer solliciteerde en weer aan het werk kon, kwam hij die moeilijke tijd zonder grote problemen door. Wel had ik er natuurlijk wel enig weet van. Ik herinner mij goed, hoe ik naast mijn vader op de Haagse Prinsengracht in een lange rij met andere werklozen stond voor een gebouw van waaruit voedsel werd verstrekt ten behoeve van de gezinnen van geregistreerde werklozen. En zeker heel goed herinner ik mij de vreugde toen we weer thuis arriveerden met een tas met het verstrekte, geconserveerde voedsel in blik. (De keren, waarop mijn vader zich slechts moest melden om als geen-werk-hebbend te worden geregistreerd, had hij mij thuis gelaten!).

Aan het einde van de jaren dertig werkte mijn vader mee aan de bouw van kazernes voor het Nederlandse leger, aanvankelijk in Scheveningen. Op de dag dat de oorlog uitbrak was hij een aantal weken aan het werk op de vliegbasis Ypenburg. ‘s-Morgens erheen en elke avond terug naar huis op de fiets. Zijn timmergereedschap verborg hij, voor hij naar huis fietste, altijd in een droge greppel, in zeildoek gewikkeld. Vergeefs probeerden de Duitsers het vliegveld te veroveren met luchtlandingstroepen. Enkele dagen na die mislukte aanval fietste mijn vader naar Ypenburg om zijn achtergelaten timmerspullen op te halen. Tussen de beschadigde gebouwen en deels verwoest oorlogsmaterieel vond hij zijn gereedschap onbeschadigd terug. Daarnaast had hij - als een soort van souvenirs voor mij - ook nog wat bij zich. Het waren enkele Duitse uniform-onderscheidingstekens. Hij had ze van het deels verwoeste vliegveld opgeraapt en meegenomen. Kennelijk waren ze door gevangengenomen Duitse parachutisten weggeworpen om identificatie te voorkómen.

Over mijn vaders’ werk na de capitulatie, in de periode van 1 december 1940 tot 7 december 1941, vond ik twee getuigschriften, waaruit bleek, dat hij bij de N.V. Bouw- en Exploitatie Mij Vondelstraat , ’s-Gravenhage (getekend door J. de Leon) onder meer ten behoeve van verbouwingswerkzaamheden in dienst is geweest. Het was de laatste betrekking in zijn vak, als timmerman.

Voor veel kostwinners, die werkloos werden in de laatste bezettingsjaren, was het moeilijk om werk te vinden, passend bij professie en ambities. In feite bestond er geen werkloosheid. Vrij snel na de bezetting werden maatregelen van kracht die moesten bevorderen, dat Nederlanders op vrijwillige basis werden geworven voor werk in Duitsland, in dit geval eventueel ook in gezinsverband. (De laatste mogelijkheid werd benut door oom Elias die met tante Mina, Adriaan en Beppie van Den Haag daarop verhuisden naar Karlsruhe. Na de capitulatie van Duitsland keerden zij – na omzwervingen door een geteisterd Europa – als vluchtelingen weer in ons land terug.)

De maatregelen op het gebied van werk namen gedurende de bezetting in strengheid toe. Na Dolle Dinsdag werden door het bezettingsleger in de grote steden razzia’s gehouden. Alle mannen, jonger dan 40 jaar die zich voor arbeid in Duitsland dienden te melden, maar dat hadden nagelaten, werden hardhandig opgepakt en weggevoerd. Bij de razzia in Den Haag zat mijn vader ondergedoken, onder de winkelruimte van Joop Stigter, samen met enige andere buren. (Lees hierover in mijn herinnering aan Joop Stigter.) Ik stelde, dat er in feite geen werkloosheid bestond. Werkloosheid was in de ogen van fascisten zo’n beetje de ernstigste uitwas van het kapitalisme. Arbeit macht frei. De uit een minderheidspositie, door de eeuwen heen omhooggewerkte, Joodse middenstand en intellectuelen, kon echter moeilijk luiheid worden verweten. Hun eliminatie vroeg om een andere benadering. Die was gemakkelijk te vinden in de eervolle positie die zij in de maatschappij innamen. Hun kon een onevenwichtige, onaanvaardbare semitische invloed worden verweten die met beroepsverboden kon worden bestreden. De eenvoudige Joodse middenstand werd gedwongen al hun handel te verkopen aan ariërs. Handel drijven werd ze verboden en op elke manier onmogelijk gemaakt. Zo kwam het, dat mijn vader gedurende enige tijd samen met onze buurman David Danser in tweedehands goederen handelde en er zelfs mee op de markt stond. (Lees hiertoe mijn herinnering aan David Danser.) In 1943 brak voor vrijwel alle Nederlandse mannenen zeker voor degenen die jonger waren dan veertig jaar, een periode aan van koortsachtig zoeken naar, hetzij werk, dan wel een onderduikadres. In de praktijk van alle dag was het immers zò, dat je ieder moment op straat kon worden opgepakt en op “transport naar het Oosten kon worden gesteld.”

Mijn vader, geboren in 1909, had in zijn persoonsbewijs 1909 laten veranderen in 1900. Eenmaal hielp die vervalsing hem, niet te worden opgepakt. Hij was met mijn moeder samen op de fiets naar Delft gereden en vóór Delft, bij ’t Haantje - een uitspanning aan de Vliet - door een afdeling Duitse soldaten aangehouden en daar op leeftijd gecontroleerd. Zijn vervalste geboortejaar 1900 (boven de veertig!) maakte, dat Bep, Opa en ik - die in angstige spanning op de Hoefkade de onzekere terugkeer van vader en moeder hadden afgewacht - ze een half uur later weer hartstochtelijk terug zagen.

Na zijn laatste reguliere baan als timmerman gedurende 1941 - en enig bij elkaar gescharreld los en vast werk - kreeg mijn vader een baan aangeboden als uitvoerder bij de bouw van bunkers in het duingebied van Den Haag, dat in 1942/1943 geheel was ontruimd en versterkt tot een verdedigingslinie, als onderdeel van de Atlantik-wall. Onder andere vond die bunkerbouw plaats op het Landgoed Clingendael, waar Rijkscommissaris Seys Inquart een villa als residentie had betrokken. Met een pasje had mijn vader toegang tot het Sperrgebiet. Enkele keren mocht ik met hem mee naar het bouwterrein, dat we lopend bereikten via een afgebroken en vernielde Vogelwijk en Benoordenhout. In september 1943, Dolle Dinsdag, kwam aan de bunkerbouw een eind en moest mijn vader met alle anderen, die daarin werk vonden, onderduiken.

In de winter van 1944 richtten de samenwerkende kerken in Den Haag het Inter Kerkelijk Bureau Noodhulp Voedselvoorziening op. De voedselrantsoenen waren volstrekt onvoldoende geworden om in de normale behoefte te kunnen voorzien. Daardoor stierven de zwaksten in de grote steden van de honger. Mijn vader kreeg tot zijn geluk en dat van ons hele gezin op 1 mei 1945 een aanstelling als plv. magazijnchef bij het genoemde Interkerkelijk Bureau. Onder meer al het voedsel, dat werd gedropt via geallieerde bommenwerpers werd ten behoeve van een zo spoedig mogelijke distributie gedurende korte tijd in magazijnen van het Bureau opgeslagen. Indachtig het gezegde “wie appelen vaart, die appelen eet” kwam mijn vader dagelijks terug van zijn werk met artikelen die we gedurende enige jaren niet meer hadden geproefd: chocolade in blik, gecondenseerde melk, of melkpoeder en zelfs wittebrood. Een fotootje uit 1944 laat zien hoezeer ook ons gezin in dat afgelopen jaar aan een tekort aan voeding had geleden. Broodmager stonden we samen op het kiekje. Van mei 1945 af kwam aan zulke beelden een eind.

Als gevolg van de liquidatie van het IKB eindigde het dienstverband van mijn vader bij het bureau op 31 januari 1946. Niet lang daarna trad mijn vader in dienst bij de gemeente Den Haag.

Zijn eerste werk als gemeenteambtenaar vond hij met ingang van 1 februari 1946 bij een direct na de oorlog opgericht bureau, dat zich bezig hield met het bieden van huisvesting aan de duizenden oorspronkelijke Hagenaars die gedurende de bezetting hun woning hadden moeten verlaten, dan wel hun huis hadden zien vernietigen. En die derhalve dringend verbetering van hun huisvestingssituatie 1zochten. De gemeentelijke overheid had, teneinde alle beschikbare woonruimte in bestaande woningen in beginsel ter beschikking te kunnen krijgen, ook de mogelijkheid gecreëerd, desnoods die ruimte te kunnen vorderen. Overigens, geenszins stond harde afdwingbaarheid daarbij voor ogen. In goed overleg tussen eigenaar/bewoner en woningzoekende moest een match tot stand worden gebracht. Op 1 oktober 1954 werd hij bevorderd tot Hoofdcontroleur A bij dat bureau. Gebleken was, dat ook dit soort werk mijn vader als op het lijf geschreven stond. Ik vond dat logisch. Nog nooit had ik mijn vader in een situatie meegemaakt, die je als een conflict kon zien. Bij tegengestelde belangen zocht hij op een natuurlijke manier altijd naar harmonie. Zijn manier van werken wekte veelal sympathie.

Nicolaas en Johanna
Na enige jaren werd het gemeentelijk bureau, dat zich met woonruimtevordering bezig hield, echter opgeheven en werd hij aangesteld bij het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht op de Mauritskade in Den Haag en daartoe beëdigd op 17 februari 1961, na een bevordering tot inspecteur B. Onder meer door zijn bouwkundige kennis en ervaring bleef hij tot zijn pensionering in dat toezicht met plezier werken.

Terug naar het jaar van bevrijding, 1945. Hoewel ons gezin sterk vermagerd uit de oorlog was gekomen, waren we nochtans redelijk gezond. Echter, bij mijn zuster Bep liet zich in 1946 het eerste verschijnsel van een ziekte openbaren, die tenslotte, in 1955, tot een ernstige crisis zou leiden. Eén of twee jaar na de bevrijding kreeg Bep een ontsteking in een knie. Niet kon toen worden vastgesteld, wat de oorzaak ervan was. De behandeling, in ziekenhuis en met injecties resulteerde na ruim een jaar slechts in het fixeren van het kniegewricht. Van dat moment af verhinderde dat haar, het leven te leiden dat bij haar leeftijd paste. Nochtans zorgden haar vele hechte vriendschappen met vriendinnen ervoor, dat ze ook van haar dertiende tot haar drieëntwintigste jaar van haar jeugd heeft kunnen genieten. Voor mijn ouders en anderen die dichtbij haar stonden bleef het evenwel pijnlijk om te zien, hoe de beperkingen van haar handicap haar leven negatief beïnvloedden. In die periode heeft mijn zuster ook een betrekking gevonden gevonden, in warenhuis De Bijenkorf, dat toen niet alleen een kwaliteitsboekhandel bezat, maar ook een uitleenbibliotheek exploiteerde. Ze volgde na het werk ook twee schriftelijke opleidingen, één voor haar bibliotheekwerk en een ander via een cursus Engels.

In 1955 brak onverwacht haar ziekte in volle omvang uit. Hersenvliesontsteking, met hoge koorts, brachten haar in een coma. Toen zij daaruit na meer dan twee maanden met zware handicaps ontwaakte, was door middel van een ruggenmergpunctie tuberculose als oorzaak vastgesteld. Tot haar overlijden verpleegden mijn ouders mijn zuster. Gedurende de periode van haar knieprobleem had mijn zuster al veel zorg nodig. We woonden op een tweede etage en Bep kon zonder hulp van mijn vader geen twee trappen lopen en moest door hem of anderen ook worden begeleid wanneer zij naar haar werk ging of een uitje had. Na de coma werd de verzorging door mijn ouders van Bep een intensieve dag- en nachttaak, die tot haar overlijden zou duren. De omstandigheid, dat mijn vader een auto ter beschikking kreeg - en in mei 1961 een benedenwoning in de Vruchtenbuurt in Den Haag - verlichtten die taak enigszins. Ook hield de gemeentelijke organisatie, waarbij mijn vader werkte, rekening met zijn omstandigheden thuis. Vanuit het Bouw- en Woningtoezicht kreeg hij het toezicht op de wijkdelen Vruchten- en Bomenbuurt. Zijn dagelijks werk kon hij zodoende direct buiten zijn voordeur vinden.

Generaties
Bij mijn geboorte was mijn vader 23 jaar; twee jaar jonger dan mijn moeder. Van toen ik een jongetje was ben ik altijd met bewondering blijven opzien naar zijn prestaties op velerlei gebied. Hij was sterk, kon harder lopen, fietsen, roeien en schaatsen dan ik. Pas zo’n beetje rond mijn twintigste ging ik weleens van hem winnen. Als timmerman liet hij zien, dat er ook een meubelmaker aan hem verloren was gegaan. Vele jaren hing boven de huiskamertafel de door hem gebeitelde eikenhouten kroonluchter. Verder hing in de gang zijn kapstok. Talloze gebruiksvoorwerpen kwamen er uit zijn handen, zoals dam- en schaakborden, schilderij- en fotolijsten, stoven, broodplanken enz. De laatste twee bleken geliefde familiegeschenken op verjaardagen. Voor op het balkon en in de tuin timmerde hij kippen- en konijnenhokken en o.a. een zitbank en schommel.

In de Kornoeljestraat was zijn tuin zowel een speelplek voor zijn kleinkinderen, Esther en Pieter, alsook een onder meer door de vele rijk bloeiende soorten rododendrons te genieten siertuin. Vele autotochtjes met mijn moeder en Bep naar Belgisch Brabant hadden de stekken ervoor opgeleverd - uit de bossen en parken daar - die tegelijkertijd met de juiste bosgrond in vuilniszakken in de auto werden meegenomen.

Warme herinneringen aan mijn vader heb ik, terugdenkend aan de vele keren, waarop ik met hem ’s morgens in het donker op de fiets stapte, hengels bij ons en brood voor de hele dag om op te eten in een bij een bevriende boer gehuurde roeibootje op de Kagerplas. Samen met mijn vader tussen water en wolken voelde ik mij gelukkig en vrij. Wanneer we wat vingen was dat mooi meegenomen; wanneer het niks was, was het even zo goed.

Eerder schreef ik, dat mijn vader in een calvinistisch, Gereformeerd gezin opgroeide, wat een wezenlijk verschil inhield met de wijze waarop in de orthodoxe en bevindelijke Gereformeerde Gemeente de godsdienst wordt beleefd. Voor mijn vader was godsdienst een levenshouding, waren het regels die je gedrag bepaalden, regels die vanzelfsprekend waren. Je sprak er niet over. Ze stonden niet ter discussie. Door de gelovigen in de Gereformeerde Gemeente werd daarentegen benadrukt , dat het volstrekt onvoldoende is om - wanneer je de religieuze regels naleeft - erop te vertrouwen, dat “het na je dood wel goed zal komen”. In het gezin van mijn moeder werd het Gods genade genoemd, die dat bepaalde. De mens, door zijn natuur geneigd tot alle kwaad, kon daarop geen invloed hebben.

Mijn ouders hebben van elkaar gehouden.

Nicolaas en Johanna
Mijn vader overleed op 11 oktober 1997, in zijn 88ste jaar, in het ziekenhuis Leijenburg in Den Haag. Ik zat naast hem. Enige minuten ervoor had hij nog met mijn moeder - zijn lieve Jopie – via de telefoon een paar woorden gewisseld.

februari 2013