herinneringen
overzicht
Pieter Neele (1875-1969)

Pieter Neele
Nadat mijn grootvader met zijn gezin van de Anna Jacobapolder naar Den Haag was geëmigreerd droeg hij, wanneer hij zijn huis verliet, of het nu voor familiebezoek, kerkgang of een bescheiden uitstapje was, steevast een bolhoed en een zwart pak, met vest. In zijn vestjeszak een plat zilveren horloge, waarvan je alleen de met een boogje hangende ketting kon zien, die aan een knoop was bevestigd. A man in black. Nu ik dit schrijf denk ik aan die prachtige tekst, gezongen door Johnny Cash. Doch, met zijn zwarte kleding onderscheidde mijn opa zich niet, wanneer hij in liefst steeds de zelfde kerkbank van de Gereformeerde Gemeente in de Oude Boomgaardstraat had plaatsgenomen. Alle mannen waren immers op gelijke wijze gekleed. Doordat er op de bank niet veel ruimte was schoof ik tegen hem aan. Vertrouwd was mij de vage geur van eau de cologne en pepermunt en de lichtbittere geur uit de linnenkast op zijn kamertje bij ons thuis, waarin mijn moeder zijn kleren opborg. De kerkzaal was door twee gangpaden verdeeld in drie vakken. De vrouwen, met gedekt hoofd en met donkere kousen onder hun lange rok, bevolkten het middenvak. Wij zaten in het linker vak, bij voorkeur op één van de voorste rijen. Door op tijd van huis te gaan en stevig door te lopen slaagde mijn opa er in, veelal op de tweede rij een plek te vinden. Dat betekende wel, dat we altijd meer dan twintig minuten voor de dienst begon aanwezig waren. Geheel tot tevredenheid van mijn grootvader. Het eerste wat hij dan deed, was mij een pepermuntje aanbieden uit de rol die hij doordeweeks nooit, maar zondags altijd bij zich had. Ja, zijn zwarte kleding hoorde bij hem, gaf hem de gevoelde zekerheid, dat hij met de andere mannen tot dat ene volk van God behoorde dat zich in nederigheid onder Diens Woord schaarde. Niet alleen op de zondag droeg hij zwart. Zelfs een kiekje in de zon op het strand van Scheveningen in 1933 laat hem - met mij op schoot - zien als de nog niet geassimileerde orthodoxe Zeeuw uit een eerste generatie van immigranten in Den Haag. De foto toont ook mijn grootmoeder Elisabeth en mijn moeder.

Pieter Neele
Piet Boekestijn, Pieter Neele, Elisabeth Kunst en Johanna Neele op het strand van Scheveningen, 1933.
Toen mijn grootvader met Elisabeth Kunst trouwde was hij 22 en zij een klein jaar jonger. Hij werkte als knecht op een boerderij in St. Philipsland en had haar – een veldarbeidster uit Oud-Vossemeer zegt de trouwakte formeel – vermoedelijk tijdens seizoenswerk op het land leren kennen. Veel onderwijs had mijn opa niet genoten. Vier jaren slechts was hij naar school gegaan en van zijn 10e jaar af werkte hij al mee op de boerderij. Die praktische leerschool werd onderbroken door meer dan een jaar militaire dienst in Nederland. Eerst, zo vertelde hij, had hij zich willen aanmelden voor het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, maar zijn ouders hadden dat niet toegestaan. Over de tijd, doorgebracht als militair, kwam ik iets meer te weten dan over de jaren daarvoor. Keer op keer luisterde ik gretig naar zijn in feite niet heel spannende, maar toch boeiende verhalen erover. Op den duur kende ik ze van begin tot eind, maar kon er nooit genoeg van krijgen. Ook al doordat hij ze met levendige emotie liet horen. Eén van de voorvallen die steeds weer terugkwam vond plaats tijdens zijn eerste legertraining. De politie van het stadje waarin hij was gelegerd riep soms de hulp van militairen in bij “het handhaven van de openbare orde”. Zo moest mijn opa op een avond als lid van een peloton mee om een caféruzie te beslechten. “Piet, dat pakten we subiet aan. Ik werd aangewezen als één van de mannen die zich voor de cafédeur opstelden. Een vreselijke herrie kwam uit het lokaal en we kregen het bevel “bajonet op geweer!”. Toen stormden we het café in.” In mijn geheugen breekt hier dit korte verhaal altijd af. Dat wil zeggen: in mijn herinnering vind ik de afloop ervan niet terug. Verzweeg mijn opa, wat er na de bestorming gebeurde? Of vertelde hij me dat wel, maar vergat ik het? Ik realiseer me nu, dat ik ook andere gebeurtenissen uit zijn jeugd slechts onvolledig, zonder afloop of ontknoping ken. Waarom vroeg ik er nooit naar? Bijvoorbeeld wat er gebeurde nadat hij op de Weteringkade, vlakbij het Rijswijkseplein, een op hol geslagen paard met wagen een heel eind verder tot stilstand bracht door aan de kop van het paard hangend zich te laten meesleuren. Er moet een berichtje over in een Haagse krant hebben gestaan. Zwijgzaamheid bij hem was er ook ten aanzien van de tatoeage - een anker - op de bovenzijde van één van zijn polsen, weliswaar het christelijke symbool van hoop, maar toch zeker niet gebruikelijk in het zware, gereformeerde milieu waarin hij opgroeide. “Uit de tijd toen ik militair was.”, dat was alles wat hij erover kwijt wilde.

Elisabeth Kunst en Pieter Neele kregen vier kinderen. Toen mijn grootouders trouwden was Elisabeth al in de 5e maand van haar zwangerschap. Op 22 augustus 1897 kwam hun eerste zoon, Andries, ter wereld.. In hun kerkelijke gemeenschap wordt het huwelijk echter als een sacrament beschouwd en is daaraan voorafgaande seksuele omgang een ernstige zonde. Wellicht is dat er de oorzaak van geweest, dat Andries al op zeer jonge leeftijd niet in het gezin van mijn grootvader, maar bij de familie Kunst in Rotterdam werd grootgebracht en opgevoed. Toen mijn grootvader en zijn vrouw van het - toen nog - eiland St. Philipsland naar Den Haag emigreerden maakten hun na Andries geboren kinderen Jan Johannes (oom Jan) en Jacomina (tante Mina) deel uit van het gezin Neele. Op 31 maart 1907 werd in Den Haag mijn moeder, Johanna, geboren.

Familie Andries Neele
Andries Neele en Jacomina Velde met hun kinderen in 1936 ter gelegenheid van de 90e verjaardag van Andries. Van links naar rechts: Geertruida Cornelia, Marina Huberdina, Jansje Pieternella, Johanna Jansje, Jacomina, Andries, Pieter, Cornelis, Krijn en Marinus Augustinus
Van zijn jongensjaren af was hij met paarden omgegaan. Maar het eerste werk waarmee opa voor zijn gezin in Den Haag de kost ging verdienen vond hij in het beroep van opperman. Bakstenen, in verband gestapeld op een plankje, omhoog sjouwen, bouwladders op, vele uren lang. Die zwaarste arbeid in de bouwerij kon hij goed aan; hij was niet lang, maar sterk en gespierd. Tot zijn geluk vond hij na enige jaren echter het soort werk, dat hem meer op het lijf was geschreven. Tot zijn 61ste zou hij dat blijven doen, in dienst bij een firma die gipsornamenten leverde voor bouwprojecten in en rond Den Haag. Het werk hield de zorg voor een paard in en ook het met paard en wagen vervoeren van de producten die in het atelier waren vervaardigd. Ze gingen naar in aanbouw zijnde huizen of grote gebouwen. Onder meer werden de ornamenten van zijn werkgever gebruikt bij de bouw van de Haagse Bijenkorf. Mijn moeder, zijn jongste dochter, mocht soms met hem mee naar het bedrijf aan de Oranjelaan, hoogstens 10 minuten lopen vanwaar zij woonden, in Het Fort, een mooie kleine woonbuurt vlak achter de Hoefkade. Aan Bep en mij vertelde ze, hoe heerlijk het was om in het atelier al spelend mee te doen met de kunstenaar die de gietvormen voor de ornamenten ontwierp. Misschien ligt - denk ik - daar wel de oorsprong van de liefde voor kunst en kunstnijverheid die in mijn ouderlijk huis altijd een belangrijke rol heeft gespeeld.

In het leven van mijn grootvader was overigens voor het kunstzinnige in het geheel geen plaats. Vrijwel al het niet-nuttige, ja iedere vorm van vermaak, werd door zijn geloofsgenoten en door hem met “het is àl ijdelheid” aangeduid. In feite vormde fysieke rust na arbeid zijn voornaamste ontspanning. Zelfs de zondag als rustdag bracht voor hem de innerlijke verplichting mee, die in dienst van zijn Heere God te plaatsen. Tweemaal liep hij op die dag heen en weer naar zijn kerk en volgde eerbiedig de dienst. Thuis haalde hij soms preken van Smijtegelt uit de linnenkast, waarin ze in een stapeltje op een plank lagen. Met zijn trouwbijbel vormden ze zijn voornaamste literatuur. Daarnaast las hij dagelijks de korte overdenking van het blaadje van zijn scheurkalender. En natuurlijk de kerkbode, waarin hij nauwkeurig volgde, welke voorgangers in welke gemeente waren beroepen. In de Gereformeerde Gemeenten werden en worden hoge eisen gesteld aan dominees en zijn afgestudeerde kandidaten schaars. Vele malen kwam het voor, dat bij afwezigheid van een voorganger, een bestaande preek moest worden gelezen door een ouderling. Ook ouderling Jacob van Luijk deed dat af en toe. Jacob was getrouwd met Geertje, één van de zusters van opa. Van Luijks’ kerkelijke functie en de strengheid van zijn geloofsopvattingen maakten hem in de familie tot een man die meer gevreesd dan geliefd leek. Zijn autoriteit werd door niemand openlijk in twijfel getrokken. In het bijzonder niet omdat hij bekeerd was, wat binnen de kerkelijke gemeenschap een absolute voorwaarde vormde voor het ouderlingschap. Mijn zuster Bep en ik zagen zijn familiebezoek nooit blij tegemoet. Mijn moeder, toch al niet geïmponeerd door autoritair gedrag van mannen, stelde zich tegenover oom Jacob uiterst zelfstandig op. Bijvoorbeeld, zij vertelde Bep en mij met onverholen relativerend plezier, dat oom Jacobs oudste zoon zich van de strenge vadernormen al heel weinig aantrok. Zij had een keer gezien, hoe haar neef uitgerekend op de dag des Heeren in smetteloos witte kleding de huisdeur achter zich dichttrok om met vrienden te gaan tennissen.

Gereformeerde Gemeente Oude Boomgaardstraat
Het was oom Jacob geweest, die omstreeks 1920 de verhuizing van het gezin van Piet Neele van Het Fort naar de kruidenierswinkel in de Van Swietenstraat (waarin nu een uitstekend Indonesisch restaurant, Bogor, is gevestigd) met enige druk had aanbevolen. Een weduwe, lid van de kerk, kon zonder haar man het werk in die winkel niet meer aan, had overigens ook geen inkomen en was er tevreden mee, dat ouderling Van Luijk ervoor had gezorgd, dat Elisabeth en Piet Neele met inbreng van een klein gespaard bedrag de nering konden overnemen. Doordat mijn grootvader een betrekking buitenshuis had, stond zijn vrouw Elisabeth er in de winkel uiteraard alleen voor. Echter, mijn moeder, toen een jaar of elf, was nog thuis, sliep in een opkamer achter de winkel, en hielp haar natuurlijk met plezier. Aan Bep en mij verhaalde mijn moeder, op wat voor manier destijds alle waren in de kleine winkel waren uitgestald en hoe de klanten werden geholpen. Er waren in die tijd betrekkelijk weinig verpakte levensmiddelen en zuivelproducten. Alles moest uit blikken en dozen worden gehaald, worden afgewogen en verpakt. Zij liet ons zien, hoe je een vel papier zò moest vouwen, dat het een stevige puntzak werd en demonstreerde met gebaren hoe met een houten spaan de roomboter uit een ton met een klets op vetvrij papier werd gelegd en gewogen. Sommige eetgewoonten van het gezin Neele veranderden door wat er werd verkocht in de winkel. Had men vóór die tijd het brood met reuzel besmeerd, sindsdien gebeurde dat met beschikbare, duurdere boter.

Twee broers van mijn grootvader, Cornelis en Marien, woonden ook in Den Haag. De laatste had een waterstokerij in de Zeilstraat in Scheveningen. Cor, met vrouw en zoons, woonde bij ons in de Transvaalbuurt, in de Wolmaransstraat. Beide broers kerkten niet in de Oude Boomgaardstraat. Ik meen, dat Marien en zijn vrouw behoorden tot de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk; ze gingen ook naar de kleine, oude kerk aan de rand van de zee. Cornelis en zijn vrouw woonden diensten bij in de Christelijk-Gereformeerde kerk, waarvan de leer zich nauwelijks onderscheidde van die van de Gereformeerde Gemeenten. Toch kreeg ik als kind van horenzeggen en door het een enkele maal bijwonen van een dienst de opvatting, dat de christelijk-gereformeerden bij de beleving van hun geloof minder plaats inruimden voor emoties en enigszins koel en keurig hun strenge leefregels volgden. Geheel tegengesteld daaraan ging het toe bij de gevoelige, warme Oudgereformeerde gemeenteleden in het kerkzaaltje in de Wesselstraat, waar wij ook wel kwamen, zeker wanneer ds.Boone van St. Philipsland er op de kansel stond.. De goede kwaliteit van een preek werd in die gemeente welhaast afgemeten aan de omvang van de tranenvloed die de dominee bij zijn geliefde broeders en zusters al prekend teweeg bracht. Van de bijgewoonde diensten bij de Gereformeerde Gemeente, maar meer nog van die van de oudgereformeerden heb ik de overtuiging gekregen en behouden, dat de gedachte aan een God, die onbenaderbaar en onverstoorbaar zijn eigen weg gaat en zich daarvan niet af laat brengen door zogenaamd goed gedrag of de smeekbeden van mensen, heel dicht een absolute waarheid nadert. Nu, aan het eind van mijn leven, zie ik mij als een agnost. Maar ik blijf een sterke verwantschap voelen en beleven met degenen die zich tegenover het wonder van hun bestaan in nederigheid verhouden, hopend, verlangend naar Gods genade. Zekerheden zoeken en vinden op onze aarde is ijdelheid nastreven. Onderworpen zijn we aan het woeste, evolutionaire proces, waarbinnen we als beperkte mensen geboren worden en sterven.

Als gevolg van het faillissement van het bedrijf waar mijn grootvader in vaste dienst was, werd hij van de ene dag op de andere werkloos. De algemene werkloosheid was groot in de jaren dertig van de twintigste eeuw en wanneer je zoals hij over de 60 was, kwam je onmogelijk weer aan het werk. Hun winkel bleek ook meer te kosten dan dat hij opbracht, zodat werd besloten, hem te verkopen. Volgens mijn moeder was het verlies op het winkeltje mede ontstaan doordat oma Elisabeth al te goed van hart en vertrouwen was. Als een vrouw uit de buurt te arm was om haar boodschappen te kunnen betalen, gaf ze die voor niets mee. Ook schreef ze veel op de lat voor bevriende klanten, maar verrekende de schuld dikwijls niet, wetend hoe moeilijk het voor velen was om rond te komen. De verkoop van het winkeltje leverde maar weinig op. Dat mijn grootouders bij ons zouden intrekken was besloten, ervan uitgaande, dat het winkeltje zou worden aangehouden. In die veronderstelling vond de verhuizing plaats van de kleine etagewoning in de Parallelstraat naar een veel ruimer huis met tuin op de Groenteweg, aan de andere zijde van de trambaan van lijn 11. Met mijn grootouders erbij ging ons gezin toen 7 mensen tellen. Want in 1933 was mijn zusje Elisabeth geboren en in 1935 mijn broertje Nicolaas. Het huis op de Groenteweg was wel groter, maar deed helaas ook een hogere huur. Toen bleek, dat mijn grootouders als gevolg van de verkoop van de winkel in de huur geen bijdrage konden geven, moesten mijn ouders naar een goedkopere woning uitzien en vonden die in de Kaapstraat. Dat mijn grootmoeder daar ernstig ziek en bedlegerig werd en van dat moment af door mijn moeder moest worden verzorgd, zette een domper op het gezinsgeluk. Een ramp voltrok zich echter nog geen jaar later, in 1937. Toen overleed onverwacht mijn broertje Niek.

Kaapstraat
Mijn grootvader met Joop Neele en mij in de tuin van het huis in de Kaapstraat, 1937.
Verder leven in het huis waar zij hem dood in zijn bedje had gevonden kon mijn moeder niet. Mijn vader vond voor zijn gezin een woning op een eerste etage, Hoefkade 1464. Daar overleed mijn lieve grootmoeder. Als echtgenote van Piet Neele was zij voor haar kinderen en kleinkinderen de goedmoedige, verdraagzame moeder en grootmoeder geweest, die zekerheid en rust uitstraalde. De absolute tegenpool van de actieve emotionaliteit van haar man. Oma werd op Nieuw Eykenduynen begraven. Een jaar ervoor was Niekje daar in zijn grafje gelegd.

Mijn opa was op de Groenteweg en in de Kaapstraat de kippen gaan verzorgen, die wij hielden in door mijn vader getimmerde hokken. Van het moment af dat wij op de etagewoning van de Hoefkade gingen wonen - aanvankelijk op nr.1464 en na het overlijden van oma op het zelfde portiek naar nr. 1460 -, kon opa aan het werk op het landje van oom Jan. Die had in Rijswijk een perceel grasland gekocht van ongeveer een hectare groot en er een schuur op gebouwd. Een bok, geiten en kippen kregen daar onderdak. Voor hun verzorging liep mijn Opa in de ochtend naar dat landje, at tussen de middag de door mijn moeder meegegeven boterhammen en kwam ’s-avonds voor het avondeten weer thuis. Soms at hij tussen de middag bij tante Anna, de vrouw van oom Jan, halverwege de afstand, op de Schimmelweg. Op de vrije woensdag- en zaterdagmiddagen liep ik mee en voelde me een beetje een boerenzoon, want uiteraard mocht ik hem soms helpen. Vooral herinner ik mij zonnige zomerse dagen, waarop mijn grootvader in de groentetuin aan het werk was, of met zijn zeis het gras maaide. Het geluid van de wetsteen op de zeis en van het donkersuizend vallen van lang gras, de geur van dat gras en van het water in de sloot die het landje begrensde, mijn geheugen heeft die belevingen zo scherp opgeslagen, dat ik ze kan oproepen, wanneer ik ervoor in de stemming ben. Het landje van oom Jan heeft aan mijn grootvader in zijn gedwongen werkloosheid binnen onze familie een plaats gegeven, waarin hij al zijn kwaliteiten in de landarbeid en het verzorgen van dieren kon tonen. Het in zelfstandigheid je eigen baas zijn heeft hij nooit geambieerd. Van de dienstbaarheid heeft hij in zijn leven een persoonlijke kwaliteit gemaakt.

Als knecht op de boerderij, als opperman in de huizenbouw, als medewerker bij een bedrijf, ja, zelfs in zijn tijd in militaire dienst, waar hij na zijn eerste opleiding een betrekking kreeg als oppasser van een hoofdofficier en zelfs diens vrouw in het huishoudelijk werk moest bijstaan, in al het werk dat hij deed stond het dienstbaar zijn voorop. Het woord knecht had voor hem ook een heel positieve betekenis. Werk dat je was opgedragen moest nauwgezet en zo snel mogelijk worden gedaan. Ongetwijfeld heeft de Bijbelse taal, waarin het woord dienstknecht veel voorkomt in een gunstige betekenis, hem geïnspireerd om het werk als knecht wezenlijk als eervol te beschouwen. Het gaf hem waardigheid. In een vloeiende overgang naar zijn godsdienst voelde hij zich een knecht van de Heere en werd zijn nuttig werk ook zinvol. Mijn opa noemde mij ook dikwijls “mijn knecht”. En blij en trots was ik, wanneer hij dat tegen mij zei.

In theologische discussies in familiekring mengde mijn grootvader zich nooit. Met een zeker begrip, maar meer nog ontzag, hoorde hij op verjaardagsbezoek bij zijn schoonzoon, Elias Verhulst, de diepgaande gesprekken aan over bijvoorbeeld een recente preek van ds. Paauwe in het gebouw op de Prinsegracht. Mijn moeder noemde de godsdienstige opvattingen van haar zwager Eli en diens markante broers oudtestamentisch. Direct kon ik dat plaatsen in mijn ervaringen met de orthodox-protestantse stromingen die ik had leren kennen. Het eerste Woord van Mozes spreekt uit wat alle gelovigen zouden moeten vasthouden. God is de enige, persoonlijke, God, op welke wijze Hij zich ook tot de mensen verhoudt. In het Oude Testament is beschreven, hoe Hij over ons heerst, dat wij Hem moeten respecteren en niet kunnen beïnvloeden. Voordat wij er zijn was Hij er al en als we dood zijn is Hij er nog. Ik moet mij nu een agnost noemen, maar doe dat met tegenzin. De boeken in het Oude Testament blijf ik als waardevoller zien dan de toevoegingen van de Griekse auteurs. Het Nieuwe Testament bedenkt in feite een romantisch, christelijk slot aan het realistische, joodse Oude Testament. De geschiedenis van het volk van de Joden wordt in Mozes’ boeken geplaatst in de geschiedenis van onze aarde, in die van de mensheid en in die van haar individuele stervelingen. Wat Genesis zegt over de schepping is een dichterlijke weergave die niet strijdt met van de latere evolutietheorie van Darwin. Verdriet geven mij altijd weer die domme verwijzingen bij de oudtestamentische woorden naar het pas veel later beschreven leven van Jezus en zijn volgelingen.

Het landje van oom Jan leverde diens gezin en het onze zeker in de laatste oorlogsjaren belangrijke aanvullingen op de karige rantsoenen bij de voedseldistributie. Voor mijn oom bracht het stukje grond echter ook zorgen mee. Het lag in een weiland buiten de bebouwde kom van Rijswijk en vormde voor dieven een plek waar ze in het donker ongestoord hun slag konden slaan. Op die wijze verdwenen er konijnen en kippen. Hangsloten op de schuurdeuren, prikkeldraad voor de binnenzijde van de ramen, zij hielden de dieven niet buiten. Op een dag liet mijn oom aan mijn opa en mij zien, welke maatregel hij had genomen om verdere inbraken tegen te gaan. Aan de binnenzijde had hij aan de deurpost met bundels elastiek een plank bevestigd waardoor spijkers staken. Indien een onbekende het slot zou vernielen en de deur openen zou de plank met kracht tegen het bovenlichaam van de inbreker slaan. Mijn oom demonstreerde zijn uitvinding door een bos stro op een riek te prikken, die voor zich uit te steken en de deur open te duwen. Met een doffe klap sloeg de lat met spijkerpunten in het stro en hield de bos vast toen de riek eruit werd getrokken. “Kijk”, zei oom Jan tegen opa, “als je dit meemaakt breek je niet voor een tweede keer in.” Twee dagen later kwam opa aan het eind van de middag terug van het landje en vertelde mijn moeder, dat de aangebrachte beveiliging maar één nacht zijn dienst had bewezen en dat oom Jan de spijkerplank weer had verwijderd. Opa: “Jan was vanmorgen extra vroeg van huis gegaan om te kijken, of alles op het landje er nog bijstond zoals hij het de dag ervoor had achtergelaten. Hij zag, dat er niet was ingebroken, wilde zijn schuur binnengaan, maar vergat die spijkerplank. Bijtijds kon hij achteruit springen. Daardoor liep hij in zijn borst maar één diepe snee op en kwam er dus nog goed vanaf.” “Wat een geluk!” zei mijn moeder. Op haar broer Jan was zij zeer gesteld.

Toen in december 1945 de Hongerwinter aanbrak was er nauwelijks nog iets eetbaars van het landje van oom Jan te halen. Een enkel groenkooltje bracht mijn grootvader soms nog mee van de door dieven kaalgeplukte groentetuin. Alle dieren waren geslacht. Toch ging mijn opa plichtsgetrouw nog geregeld naar het landje toe. Op een dag kwam hij er opgetogen van terug. Met een verrassing voor ons gezin onder zijn jas. Hij vertelde, dat bij het slootje dat de grens met de weilanden vormde, een reiger was neergestreken. En dat hij, zijn kans schoonziende, de vogel had beslopen, erop was gesprongen en het dier bij zijn nek had vastgegrepen. Verscheidene keren had ik mijn grootvader kippen zien doden. Meestal deed hij dat door het afhakken van de kop met een bijl. Ook had ik het hem dat zien doen door de kip bij de nek te pakken en die met een arm- en handbeweging de nek om te draaien. Hij vertelde, dat hij dat laatste ook met die reiger had willen doen, maar dat de hals van dat dier zo sterk en taai was, dat het hem dat niet gelukte. Zoals meer het geval was, maakte hij zijn verhaal niet af. Dat was ook niet nodig, omdat hij de dode reiger heel voldaan vanonder zijn jas had gehaald en met een klap op het aanrecht in de keuken had gelegd. Hoe hij het beest uiteindelijk dood had gemaakt, hoorden we niet. “Maar goed ook”, dacht ik, want mijn moeder en Bep kunnen écht niet tegen dat soort dingen.” Die avond aten we bij uitzondering weer eens vlees. Niet veel, want geplukt bleek het dier maar een mager scharminkel. Met een beetje raapolie had mijn moeder de reiger gebraden. Hij smaakte prima. “Net kip”, zei mijn vader. “Maar het arme beest had geen aasje vet op zijn lijf.”, zei mijn moeder. Zoals gebruikelijk na het eten, dankten we God voor de genoten spijzen. “Dat heeft mijn opa goed gedaan”, dacht ik.

In januari 1945 ontstond er in Den Haag gebrek aan alles wat nodig is om in leven te blijven. Wekelijks werd bekend gemaakt, wat je op je distributiebonnen kon kopen aan eten. Dat was heel weinig. En dan moest je nog geluk hebben, dat die rantsoenen niet waren uitverkocht in de winkels in de buurt. Doordat elektriciteit en gas waren afgesloten en er voor de kolenkachels alleen nog maar een beetje hout als brandstof was, konden huismoeders hun belangrijke taken, het voeden en verzorgen van hun eigen kinderen, niet meer goed behartigen.. Het kwam steeds meer voor, dat mijn moeder bij het op de borden doen van het klaargemaakte eten, eerst Bep en mij wat aanreikte en vervolgens mijn vader, en dat er daarna voor mijn grootvader en voor haarzelf nauwelijks iets overbleef. Mijn vader probeerde dat dan enigszins te herstellen door wat van zijn bord op dat van mijn moeder te leggen. Zij wilde dat weer niet, omdat mijn opa dan minder zou krijgen dan zij. Hoewel ik me niet herinner, dat er ooit iets van ruzie ontstond, was de stemming aan tafel in die tijd altijd bedrukt.

Enige jaren voor die vreselijke Oorlogswinter het leven in onze stad beheerste, hadden we van vrienden een jong hondje gekregen, waarop we allen - ook mijn grootvader die met dieren op een boerse, zakelijke, maar zeker niet onvriendelijke manier omging - erg waren gesteld. We hadden hem de naam Jopie gegeven, zoals mijn vader mijn moeder ook noemde. In een mum van tijd was hij haar onafscheidelijke lieveling geworden. Dagelijks liet ze hem driemaal uit. En thuis was hij blijvend vlakbij haar te vinden. En juist zij, zonder daarover ook maar iets tegen iemand te zeggen, nam op een dag het besluit om met Jopie naar het dierenasiel aan de Nieuwe Haven te lopen en hem daar een spuitje te laten geven. Voor hem had ze geen eten meer.

In de etagewoning op Hoefkade 1460 hadden we een huiskamer en drie kamers, waarvan opa er één bewoonde. Mijn ouders sliepen in de achterkamer en Bep en ik samen op een kamer aan de straatkant. In de maand februari van 1945 was er bijna geen inwoner van Den Haag die nog genoeg te eten had. Vooral oudere stadgenoten leden toen honger en velen overleefden de slechte omstandigheden niet. De situatie bij ons aan de eettafel was ronduit ellendig geworden. Wanneer moeder Bep en mij eten had gegeven, bleef er nauwelijks wat over voor mijn opa en mijn ouders. Ook weer zonder daarover met iemand te praten moet mijn moeder op een avond het moeilijke besluit hebben genomen: “Morgen breng ik Opa naar Anna en broer Jan.” De volgende ochtend, toen zij alleen thuis was met haar vader, heeft zij hem geconfronteerd met dat vaste besluit: “Vader, dadelijk breng ik je naar Jan en Anna, ik vind dat heel erg, maar zij hebben, ook al doordat ze met méér zijn, meer te eten dan wij. Hun huis is ook ruimer dan het onze. Kijk, ondergoed en andere kleding die je nodig hebt, heb ik al klaargelegd. Ik begrijp wel, dat het zondags moeilijk wordt om tweemaal naar de kerk in de Oude Boomgaardstraat te lopen. Maar tussen de twee diensten in kun je dan bij ons komen.” Toen Bep en ik thuiskwamen vertelde mijn moeder ons over haar actie. Mijn vader wist dat toen al. Mijn opa had heel emotioneel gereageerd, zei mijn moeder, had geen woord gesproken, had twee tassen gepakt en was naar de Schimmelweg gelopen. Doordat we geen telefoon hadden, hoorden we pas enkele dagen later, dat opa bij oom Jan en tante Anna, die van niets wisten, vanzelfsprekend onderdak had gekregen. Van dat moment af zagen we mijn grootvader alleen nog op de zondagen. Veel en veel later ben ik pas gaan begrijpen, dat er bij mijn moeder bij de pijnlijke overdracht van de zorg voor haar vader aan tante Anna en oom Jan nog iets anders meespeelde. Hoewel mijn zuster elf jaar was en ik bijna twaalf en een half, sliepen wij - noodgedwongen - nog steeds op één kamer. Vermoedelijk heeft mijn moeder gemerkt, dat ik geen jongetje meer was en dat Bep en ik een eigen kamer moesten hebben. De enige kamer die dit probleem kon oplossen, was die waarin opa woonde. Nooit, aan niemand en op geen enkele wijze, heeft mijn moeder ooit laten blijken, wat bij het “uit huis zetten” van opa - want zo werd het in de familie toch wel ervaren - voor haar de doorslaggevende overwegingen zijn geweest.

Voor mijn opa was de overstap naar het gezin van oom Jan natuurlijk ingrijpend. Mijn moeder had, evenals zijn schoondochter Anna dat deed, ten opzichte van haar vader altijd een eigen lijn getrokken. Maar waar anderen bij waren tastte zij als dochter zijn grootvaderlijke gedrag en houding op geen enkele manier aan. In de praktijk van de dagelijkse dingen kwam dat er op neer, dat wanneer opa niet thuis was, alle gezinsleden meer vrijheid van doen en laten kregen. Zeker op de zondagen kwam dat tot uiting. De zondag immers bleef voor opa de dag waarop je in rust met Gods Woord bezig moest zijn. In het gezin van zijn zoon Jan bepaalde schoondochter Anna opgewekt en overigens net zo doortastend als mijn moeder haar eigen huisregels en mijn opa moest zich daaraan zo goed mogelijk aanpassen. Voor beiden was dit niet gemakkelijk. Tante Anna was een opgewekte, vrijmoedige vrouw, opa echter was strak en rechtlijnig in alles wat hij deed. Daarbij kon hij ook driftig zijn. Zijn schoondochter bleef de rust zelf, was zeker niet oppervlakkig, maar zag de betrekkelijkheid van het leven. Het zwaarste verlies dat ouders kunnen meemaken, het overlijden van een kind, een dochter, op jonge leeftijd, was haar ook niet bespaard gebleven.

Zowel van mijn vaders- als van mijn moeders kant heb ik veel neven en nichten. Eén van oom Jans zonen, Andries, is ongeveer van mijn leeftijd. Met hem heb ik een min of meer geregeld contact onderhouden. Toen mijn grootvader in 1945 bij oom Jan ging wonen nam Andries mijn plaats in ten opzichte van opa. Dit construeer ik achteraf en geheel vanuit mijn fantasie. Er waren natuurlijk verschillen. Opa had ik dagelijks meegemaakt van mijn vierde tot mijn twaalfde jaar. Andries was twaalf toen opa bij hen in huis kwam.

Inmiddels is het al meer dan veertig jaar geleden, dat Andries’ en mijn opa is overleden. En voor Andries en mij ligt de leeftijd der sterken al achter ons. Soms, bij mijn neef op bezoek in Kootwijkerbroek, ervaar ik met hem een bijzondere verwantschap, terugleidend naar grootvader Neele. Hoewel ik dat niet laat blijken, benijd ik Andries erom, dat hij het geloof heeft behouden in de leer, zoals die in de Gereformeerde Gemeenten wordt onderwezen en in de leefregels die daaruit voortvloeien. Hard werken, sober leven, trouw zijn, realistisch zijn, het zijn kenmerken van opa, die Andries en ik hebben vastgehouden. Anders evenwel dan Andries werd ik ontrouw aan de geloofsleer, aan de christelijke uitleg van de Bijbel..Wel voel ik verwantschap met bepaalde orthodoxe, reformatorische opvattingen, zoals de door “goede werken” volstrekt niet te beïnvloeden genade Gods. Ook de erfzonde, waarmee wij mensenkinderen zijn belast, ontken ik niet, maar heb die een plaats gegeven in mijn eigen gedachtewereld. Binnen de gemeenschap van gelovigen die in haar Bijbeluitleg die opvattingen belijdt, getuigen mijn persoonlijke interpretaties van zondige hoogmoed. Ik moet met dat oordeel leven. De uitleg van de Bijbel kan ik niet anders zien dan als mensenwerk, zelfs wanneer je er aan toevoegt, dat zij goddelijk is geïnspireerd. De samenstelling van de Bijbel zie ik óók zo. De joodse en Griekse boeken die er in zijn opgenomen zijn van mensen afkomstig. Toch, heel dicht bij het dogma van bijvoorbeeld de erfzonde ligt mijn opvatting, dat mensen van nature slecht zijn, slechts gericht zijn op hun voortbestaan, zo nodig ten koste van anderen of van het andere. Ook geloof ik hartgrondig, dat wij ons lot zeker niet zelfstandig bepalen en dat wij alleen maar kunnen hopen, dat genade ooit ons deel zal zijn.

Minder dan tien jaar maakte mijn opa deel uit van oom Jans gezin op de Schimmelweg. Daarna kreeg hij verzorging in het huis van de Gereformeerde Gemeenten aan de Hooigracht in Leiden. Op 13 januari 1969 overleed hij daar. Op een kiekje, in zijn kamer genomen in 1968, staat hij met Cobi en onze dochter Esther. Hij werd begraven op de Leidse begraafplaats Rhijnhof.
Opa, Esther, Cobi

Enkele jaren geleden woonden Cobi en ik de teraardebestelling bij van mijn neef Andries’ lieve vrouw Maaike. Op die dag moest ik weer terugdenken aan de kerkgang in mijn jeugd, de wandeling erheen, de vertrouwde gemeenschap van mensen in de kerk, de soberheid van het kerkinterieur, en de preek van de dominee die de gelovigen niet naar de mond praat, maar er op aandringt, naar de geboden van Mozes te leven. En, ja, het gezamenlijk zingen van de psalmen van David. In Kootwijkerbroek stonden meer dan vijftig mensen bedroefd bij het graf van Maaike. Sneeuw bedekte de begraafplaats en de velden rondom. Contrasterend zwart was de kleding van degenen die de baar lopend hadden gevolgd en die nu bij het graf stonden. Wij, levenden, werden niet vertroostend, maar vermanend toegesproken. Op dat moment overviel mij weer een redeloos verlangen naar de verbondenheid die ik in mijn jeugd binnen die kleine kerkelijke gemeenschap in de Oude Boomgaardstraat heb ervaren.

Een paar jaar geleden kocht ik op een boekenmarkt een boekje, dat een korte biografie bevat van ds. Smijtegelt. Het geschriftje, in 1916 voor de vierde maal gedrukt, begint met een soort verantwoording, waarin Pieter de Vriese verklaart, waarom hij het leven en sterven van de “Geloovig in den Heere ontslapen” Bernardus Smijtegelt beschrijft. Hij doet dit, opdat “de rechtvaardige zijne gedachtenis altoos in zegening bij het volk des Heeren wezen mocht en het ook zijn nut nog hebben kan voor de nu nog levenden, alsook voor de latere nakomelingschap.”

Piet Neele was niet geleerd, is in zijn leven vooral dienstbaar geweest, in vertrouwen op en met ontzag voor degenen die hij boven zich geplaatst zag. Hij heeft zijn bestaan ingericht volgens de tradities die hij als kind van zijn ouders meekreeg. Als mijn grootvader heeft hij veel aan mijn vorming en levensgeluk bijgedragen.

Piet Boekestijn mei 2010