herinneringen
overzicht
Rudy Cornets de Groot (1929-1991)

Rudy Cornets de Groot
Er zijn situaties die je leven grondig veranderen, je kijk op het bestaan een principiŽle wending geven. Ik ben voor wat betreft de aanduiding "situaties" niet eerlijk. Immers, in mijn jeugd zijn zulke ervaringen vrijwel altijd verbonden met persoonlijke ontmoetingen. Bij voorbeeld mijn kennismaking met de gedachtenwereld van Rudy Cornets de Groot en de levenservaring waarvan hij blijk gaf, bevrijdden mij van onvolwassen, idealiserende dromerijen. Die ik overigens nooit geheel ben kwijtgeraakt en waarvan ik er, nu ik oud ben, nog altijd vele koester. Zonder de schuldgevoelens die daar vroeger dikwijls uit voortkwamen.

In 1955 ontmoet ik Gerrit Kolkman. Dat gebeurt nadat ik weer op de Hoefkade bij mijn ouders en zuster ga wonen, met groot verlof, na een verplichte militaire diensttijd van ruim anderhalf jaar. Stilaan raak ik dan los van mijn door godsdienst bepaalde orthodoxe opvoeding. Steun daarbij vind ik in de sociaalliberale houding die Gerrit (van mijn vaders leeftijd) laat zien en uitdraagt. Gerrits opvattingen vinden geen grond in geloofsregels, maar voegen zich soepel in de tamelijk tolerante sfeer van de Woodbrookers-beweging. Hun periodiek, Tijd en Taak, vormt het podium, waarop Gerrit zijn eigenheid toont in poŽzie en - soms - proza. Voor mij is verademend, dat hij gedurende al de jaren dat ik met hem spreek, nooit het onderwerp godsdienst aanroert. Overigens - en dat zal voor mij mede zijn aantrekkingskracht hebben gevormd - bekeringsbehoefte was hem sowieso vreemd.

Na de weldadige vakantietijd in het leger beland ik aldus in een retraiteoord, waarin mijn heftige en tegenstrijdige gevoelens een rustige bedding krijgen en tegelijkertijd in hun waarde worden gelaten. Terugziend hierop: de relatie met Gerrit geeft mij vrijheid, brengt mij op een weidser plein. Echter, van mijn nauwelijks rationele zienswijze op echt alles en nog wat, neem ik in het gezelschap van Gerrit geen afscheid. Daarin komt verandering, wanneer ik Rudy Cornets de Groot beter leer kennen. Ik schrijf "beter" omdat hij mede tot de kleine groep van letterlievenden behoort, die in Posthoorn en Kunstkring samenkomt.

Met de drie jaar oudere Rudy, een Haagse Indische jongen, krijg ik een vriendschappelijke verhouding die dieper gaat dan dat je elkaar geregeld spreekt en ziet. Niet een langdurige. Hooguit in anderhalf jaar tijd - van eind 1956 tot midden 1958 - wisselen we gevoelens en opvattingen uit. Onze ontmoetingen zijn ook weinig frequent; ik denk dat we hooguit vier keer met ons tweeŽn tot zeer laat in de avond tegenover elkaar zitten. Want meestal gaat het om groepsconversatie, bij Rudy thuis of in de pleisterplaatsen op het Voorhout of de Denneweg. En zeker komt het ook niet verder dan tot een stamelend gesprek als Jozef, Bert en ik onaangekondigd Rudy en Wil op hun eerste etagewoning op de Denneweg bezoeken wanneer hun eerste dochter is geboren. Geen van ons drieŽn weet uit ervaring, hoe je een jonge moeder met baby moet bejegenen en bijna zonder woorden stuntelen we er maar op los. En maken daarna gauw dat we wegkomen. Terwijl ik dit schrijf, geneer ik me voor wat mijn eerste kraambezoek is geweest.

In de Kunstkring zit Rudy tegenover mij; aan de andere kant van de ongeverfde houten tafel. Daarop een karaf rode wijn en onze glazen. Voor het eerst in mijn leven drink ik rode wijn. Rudy stelde dat voor en ik bestelde het. Beiden roken we, shagtabak. Gericht licht op de tafel. Erop twee cahiers met proza van mij. Ernaast enkele velletjes met Rudy's gedichten. Een week of twee ervoor hadden we afgesproken elkaars werk te lezen. Deze avond zeggen we wat we ervan vinden. Wij praten er minder over dan ik verwacht. Rudy's poŽzie had ik thuis verscheidene malen gelezen. Steeds mooier was ik die gaan vinden, zelfs zo, dat ik de tekst als een middeleeuwse monnik geheel exact had gekopieerd. Ik vertel Rudy dat, waarop hij glimlacht. Mijn twee schriften proza blijkt hij goed te hebben gelezen, getuige vele potloodstreepjes in de kantlijn. Over twee passages in mijn proza weidt hij uit omdat - zegt hij - die hem hebben getroffen.

Over een stukje, waarin ik nogal realistisch fantaseer over een zeer jong Indisch meisje en hoe ik haar benader, is hij niet positief, overigens zonder dat te verduidelijken. Maar ik begrijp zijn reactie direct en precies en voel die schaamtevol mee. Evenals ik heeft Rudy een jonger zusje, waar hij van houdt en waarvoor hij zorgzaam is!

Er is gelukkig ook een passage waarvan hij zegt, dat zij hem wel aanspreekt. Het gaat om een in de novelle vervlochten schets, waarin mijn hoofdfiguur als patiŽnt in dialoog is met de directeur van de psychiatrische inrichting waarin hij is opgenomen. Ik begrijp, waarom hij deze passage waardeert. Ik beeld de buitenstaander uit. De jongen of man die zich niet kan schikken in maatschappelijke, hiŽrarchisch georganiseerde en op machtsuitoefening gebaseerde verbanden. Wat ik nu weet is, dat Rudy zich net zoals ik outsider voelt.

Uit onze gesprekken blijkt, dat er achtergronden zijn die we gemeenschappelijk hebben. Beiden vervulden we de militaire dienstplicht en brachten het daarbij niet verder dan de korporaalsrang. Veel belangrijker evenwel is een overeenkomst in ervaringen die we in de oorlogsjaren opdeden, hoewel Rudy's persoonlijke geschiedenis in het bezette Nederlands-IndiŽ, waarover hij mij slechts summier vertelt, die van mij in verschrikkingen ver overtreft.

In de bezettingstijd, van september 1944 tot de bevrijding door het Engelse en Canadese leger, loop, dool ik als twaalfjarige vele malen door het bar en troosteloos stedelijk oorlogsgebied, dat Den Haag dan is. Dreiging komt onder andere vanuit de dikwijls mooie ijskoude blauwe lucht. Soms door mislukkende lanceringen van Duitse V1- en V2-raketten. Maar ook door geallieerde bommenwerpers, die met beoogde maar niet altijd geslaagde precisiebombardementen de Duitse bezettingsmacht moeten schaden. Vier huizen bij ons vandaan slaat een kerosinetank, afgeworpen om met minder gewicht het vliegtuig in Engeland te laten landen, een gat in het platte dak van ons woonblok. Twee buurvrouwen, zusters van elkaar, vinden de dood; de ene sterft in de brandende woonkamer; haar zus springt brandend uit het raam van hun tweede etage. Ik ren vlak na de klap ons huis uit en kan nog net zien, hoe men een doek over haar hevig bloedende hoofd legt; ze is dood. Het stelen van voedsel, zelfs het illegaal verhandelen ervan, moeten sommigen met de dood bekopen. Op een trottoir bij de kruising Hoefkade en Vaillantlaan liggen drie lijken, neergeschoten zegt men, onafgedekt. Op het Kaapseplein zie ik vrouwen een bakkerswagen plunderen. Keurige, lieve moeders zijn het, die ik goed ken. De dagen nadat de eerste geallieerde tanks datzelfde plein oprijden loop ik mee in een ordeloze, wraakzuchtige groep van mannen en jongens. Ruw sleuren zij mannen en vrouwen die ik niet ken uit hun woningen en brengen ze onder schoppen en slagen naar het Hobbemaplein. Daar, op een verhoging geplaatst, worden ze verder vernederd.

Na die desolate winter van chaos, honger, koude en duisternis woont blijvend in mijn hoofd de gedachte, dat, als het er wezenlijk op aan komt niet met zekerheden, noch op anderen of op een overheid kan worden gerekend. Vast en zeker was die gedachte al daarvoor geplant, toen onze joodse buren, twee gezinnen, hecht verbonden met ons gezin, na meer dan twee jaren van schijnheilige overheidsdiscriminatie, rechteloos waren opgepakt en ten slotte mishandeld. Mijn ouders, mijn zuster en ik waren machteloze getuigen van die discriminatie en rechteloosheid. In het voorjaar van 1943 verdwenen onze joodse buren uit ons leven. Hun vreselijk lot leerden wij eerst na de oorlog kennen.

Het gemeenschappelijke, dat ik voel in de relatie met de enkele jaren oudere Rudy en het respect voor zijn levenservaring maken, dat ik hem zonder terughouding kanten van mijzelf laat zien die niet ieder kent. Hij zal ze achter mijn onopgepoetste en onvolwassen proza al hebben waargenomen. Over zijn aandacht voor mij ben ik verheugd.

De thema's in onze gesprekken zijn niet door mij geÔnitieerd; bijna onopvallend introduceert Rudy ze. Hij vertelt, veel van Vestdijk te hebben gelezen en mede daardoor geÔnteresseerd te zijn geraakt in de astrologie. Wanneer ik laat blijken, er slechts bedrog of zelfbedrog in te zien, legt hij mij uit, dat Vestdijk astrologische schema's gebruikte voor het concipiŽren van zijn psychologische romans: wichelarij is geen zuivere wetenschap. Als het ware om dat te demonstreren verzint hij op het zelfde moment een onzinhoroscoop op basis van mijn geboortedatum en -tijdstip en schrijft die voor mij uit op een stukje papier. Zijn belezenheid voor wat Simon Vestdijk betreft, verwondert mij niet. In de jaren vijftig van de vorige eeuw kan niemand met gerichte aandacht voor de nederlandse literatuur heen om diens romanproductie. Zowel in de schoollokalen van het voortgezet onderwijs als in de etalages van de (toen vele) goede boekhandels is het werk van Vestdijk prominent aanwezig. De eerste roman die ikzelf van hem las, Rumeiland, kreeg ik in 1953 als verjaarscadeau van mijn moeder. Ik had er niet meer in gelezen dan een exotisch avonturenverhaal voor volwassenen.

Ben ik voor wat de poŽzie aangaat sterk geÔmponeerd en beÔnvloed door dichters als Hans Lodeizen, Jan Hanlo en Hans Andreus, Rudy maakt me opmerkzaam op de grootsheid en veelzijdigheid van de gedichten van Lucebert en wint mijn bewondering daarvoor. Bij Boucher in het Noordeinde koop ik direct diens daar nog aanwezige bundels, helaas geen eerste drukken.

Van de echtelijke liefde heb ik, hoewel ik 25 ben, nog een irreŽel, romantisch beeld. Rudy is getrouwd. Wil en hij hebben al een kind en een eigen woning, voor mij nog onbereikbaar, lijkt het. Mijn onzekerheden beheersen veel van mijn doen en laten. De onzekerheden van Rudy lijken daarentegen zonder concessies in een leefbare filosofie te zijn ondergebracht. Sexualiteit beleef ik met resten van ingeprent zondebesef. Met realiteitszin en een open mind alles onderzoekend, ontdekkend en analyserend zit Rudy tegenover me, een vriend die in korte tijd mijn leraar wordt. Dit, vanuit mijn herinnering al te formeel verwoord, accentueert ten onrechte dominantie bij de ander. Onze gevoelde gelijkwaardigheid vindt bij mij echter minder ervaring en kennis dan bij hem. Zijn overwicht is natuurlijk, maar onnadrukkelijk. Als vanzelf spreken we over onze verhouding tot vrouwen. En over de bikini, het kledingstuk, dat de atoombom met het lichaam van de vrouw verbindt! De bevrijding van de Japanse overheersing, gekoppeld aan een begin van losmaking van sexuele repressie! Brigitte Bardot verleidt en bevrijdt! De proefneming met de H-bom op het atol Bikini in 1954 impliceert echter het tegendeel van een bevrijding. Ontzetting over de vernietigingskracht overheerst, ongetwijfeld ook bij degenen die door de bombardementen op Hiroshima en Nagasaki hun vrijheid terug kregen.

Onze gesprekken zijn geen samenspraak meer. Ze vormen ťťn stem, die de zelfde gedachten vertolkt. ZÚ althans beleef žk het. Door Rudy ga ik drijfveren en verlangens in een helder licht zien. Vrouwen hebben een aantrekkelijk lichaam, waar zondeloos naar mag worden gekeken. De dood wordt gepersonifieerd door Magere Hein, een gewoon mens met een functie. Uit zijn hoofd schrijft Rudy een liedje voor mij op - waarvan ik vijftig jaar later nog niet weet, of het van hemzelf is - dat eindigt met de woorden: Tot Uw orders, Hein! Rudy wijst mij ook op de filosofische verzen van de Perzische Omar Khayyam, astronoom en dichter. En hij maakt mij attent op de Rotterdamse Koos Speenhoff, die, wanneer ik later diens volksliedjes lees, mij terugbrengt naar de aardse waarheden en sentimenten in de Haagse buurt waarin ik opgroeide.

Laat in de avond op 24 juli 1971, na een onderbreking van vele jaren, rijd ik naar Rudy's huis op de Denneweg. Ik tref hem zoals vroeger aan, te midden van zijn gezin. Hij, Wil en ook de kinderen laten mij merken dat ik welkom ben. In het midden van de riante kamer zit Rudy achter zijn bureau, pratend, schrijvend. De kinderen draaien LP's met verrukkelijke popmuziek. Ik voel mij opgenomen in een kleine, weldadige gemeenschap.

Het is nu november 2008. Verwarrende emoties. Ik ben op bezoek bij Rutger, die in het Haagse Bezuidenhout een etage bewoont. Een dag geleden belde ik hem op en vertelde, dat ik tussen oude, persoonlijke papieren een aantal gedichten van zijn vader had gevonden. Nu zit ik tegenover de zoon van de vriend uit mijn jeugd. Maar Rudy en ik waren toen jonger dan Rutger nu is. Ik denk aan mijn eigen zoon Pieter, die mij door het ontwerpen van een website in staat heeft gesteld de tijd te herbeleven waarin ik omging met Rudy. En ik zie goed, hoe Rutger het waardevolle werk van zijn vader met zorg samenbrengt. Tussen ons in op de tafel liggen enige stukjes papier die aan Rudy herinneren. De poes van Rutger geeft ons beiden liefdevol kopjes. Voor ik wegga nodigt Rutger mij uit, te gaan zitten achter het bureau van zijn vader. In het ouderlijk huis op de Denneweg nam het altijd een centrale plaats in en het is nu het zijne.

Later in dit jaar. Rutger en Pieter hebben een afspraak in Bogor in de Haagse Van Swietenstraat. Zij zitten tegenover elkaar, ieder met een bord lekker pedis Indisch eten. Waar praten zij over? Het toepasselijke gespreksonderwerp: vaders en zonen.

Piet Boekestijn, april 2009